Wohnen (wonen)

Wohnen (wonen)

Leer het werkwoord "wonen" te vervoegen in het Duits: tegenwoordige tijd, aantonende wijs

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Wohnen (wonen)

Adresse und Kontaktdaten (Adres en contactgegevens)

Duits
ich wohne
du wohnst
er/sie/es wohnt
wir wohnen
ihr wohnt
sie wohnen