Zählen (tellen) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief) Delen Gekopieerd!

Zählen - Verbuiging van tellen in het Duits: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, indicatieve wijs (Präsens, indikativ).
Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)
Alle vervoegingen en tijden: Zählen (tellen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Syllabus: Duitse les - Zahlen und Zählen (Cijfers en tellen)
Verbuiging van tellen in de tegenwoordige tijd
Duits | Nederlands |
---|---|
(ich) zähle | ik tel |
(du) zählst | jij telt |
(er/sie/es) zählt | hij/zij/het telt |
(wir) zählen | wij tellen |
(ihr) zählt | jullie tellen |
(sie) zählen | zij tellen |
Voorbeeldzinnen
Duits | Nederlands |
---|---|
Ich zähle von eins bis zehn. | Ik tel van één tot tien. |
Du zählst die Zahlen von eins bis zwanzig. | Je telt de getallen van één tot twintig. |
Er zählt die Äpfel im Korb. | Hij telt de appels in de mand. |
Wir zählen die Städte in Spanien. | Wij tellen de steden in Spanje. |
Ihr zählt von dreißig bis vierzig. | jullie tellen van dertig tot veertig |
Sie zählen die Frauen in der Gruppe. | zij tellen de vrouwen in de groep |