Los gatos tienen varios comportamientos naturales que pueden expresar diferentes estados de ánimo y necesidades.
Katten hebben verschillende natuurlijke gedragingen die verschillende stemmingen en behoeften kunnen uitdrukken.

Oefening 1: Taalonderdompeling

Instructie: Herken de aangegeven woordenschat in de video.

Woord Vertaling
Gato Kat
Pata Poot
Caricias Aaiingen
Ronronear Spinnen
Hambre Honger
Marcar su territorio Zijn territorium markeren
Jugar Spelen
¿Por qué el gato toca la cara con la pata? (Waarom raakt de kat je gezicht aan met zijn poot?)
Muchas veces es una forma de dar caricias. (Vaak is het een manier om je te aaien.)
Si ronronea o cierra los ojos, está feliz y relajado. (Als hij spint of zijn ogen sluit, is hij blij en ontspannen.)
También puede querer atención o tener hambre. (Hij kan ook aandacht willen of honger hebben.)
Si lo hace cuando duermes, quiere despertarte. (Als hij dat doet terwijl je slaapt, wil hij je wakker maken.)
El gato a veces cuida a la persona. (De kat zorgt soms voor de persoon.)
Otra posibilidad es que quiere marcar su territorio. (Een andere mogelijkheid is dat hij zijn territorium wil markeren.)
Los gatos tienen glándulas en las patas y dejan feromonas cuando tocan. (Katten hebben klieren in hun poten en laten feromonen achter wanneer ze aanraken.)
Si toca la cara con energía, quiere jugar contigo. (Als hij je gezicht energiek met zijn poot tikt, wil hij met je spelen.)

Begripsvragen:

  1. ¿Qué puede significar cuando el gato toca tu cara con la pata y ronronea?

    (Wat kan het betekenen wanneer de kat je gezicht aanraakt met zijn poot en spint?)

  2. ¿Qué quiere el gato si te toca la cara con la pata mientras duermes?

    (Wat wil de kat als hij je gezicht met zijn poot aanraakt terwijl je slaapt?)

  3. ¿Qué hace el gato con sus patas cuando quiere marcar su territorio?

    (Wat doet de kat met zijn poten wanneer hij zijn territorium wil markeren?)

Oefening 2: Dialoog

Instructie: Lees de dialoog en beantwoord de vragen.

En la consulta con la veterinaria

Bij de dierenarts
1. Marcos: Buenas tardes, traigo a mi gato porque se rasca mucho. (Goedemiddag, ik breng mijn kat omdat hij zich veel krabt.)
2. Veterinaria: Buenas tardes. ¿Has notado si tiene heridas o la piel roja? (Goedemiddag. Heb je gezien of hij wondjes heeft of dat zijn huid rood is?)
3. Marcos: Sí, tiene algunas zonas de la piel enrojecidas. (Ja, hij heeft enkele plekken met een rode huid.)
4. Veterinaria: Puede ser una alergia o pulgas. ¿Lo has tratado con antipulgas? (Het kan een allergie zijn of vlooien. Heb je hem al tegen vlooien behandeld?)
5. Marcos: Sí, le puse un collar antipulgas, pero sigue rascándose. (Ja, ik heb een vlooienband omgedaan, maar hij blijft zich krabben.)
6. Veterinaria: A veces los collares no son suficientes. Necesita un tratamiento más fuerte. (Soms is een halsband niet genoeg. Hij heeft een sterkere behandeling nodig.)
7. Marcos: ¿Qué tipo de tratamiento le puedo dar? (Welk soort behandeling kan ik hem geven?)
8. Veterinaria: Te puedo recetar un champú medicado y una pipeta antipulgas. (Ik kan een medicinale shampoo en een vlooiendruppel voorschrijven.)
9. Marcos: Perfecto, lo haré. ¿Y si sigue rascándose después del tratamiento? (Perfect, dat zal ik doen. En als hij zich na de behandeling nog steeds blijft krabben?)
10. Veterinaria: Si no mejora, necesitamos hacerle un análisis para detectar alergias. (Als het niet beter wordt, moeten we een test doen om allergieën vast te stellen.)
11. Marcos: Muchas gracias, espero solucionarlo con eso. (Hartelijk dank, ik hoop dat dat het oplost.)
12. Veterinaria: De nada, seguro que mejorará pronto. (Graag gedaan, hij zal vast snel verbeteren.)

1. ¿Por qué va Marcos a la veterinaria?

(Waarom gaat Marcos naar de dierenarts?)

2. ¿Qué ve Marcos en la piel de su gato?

(Wat ziet Marcos aan de huid van zijn kat?)

Oefening 3: Openingsvragen voor gesprekken

Instructie: Beantwoord de vragen en corrigeer ze met je leraar.

  1. ¿Tienes mascota ahora? Descríbela brevemente (qué animal es, cómo se llama y cómo es).
    Heb je nu een huisdier? Beschrijf het kort (wat voor dier het is, hoe het heet en wat voor karakter het heeft).

    __________________________________________________________________________________________________________

  2. Imagina que vas a viajar una semana. ¿Qué instrucciones das a un amigo para cuidar a tu mascota en tu casa?
    Stel dat je een week op reis gaat. Welke instructies geef je een vriend om bij jou thuis voor je huisdier te zorgen?

    __________________________________________________________________________________________________________

  3. Describe un día normal de tu mascota: ¿qué come, a qué hora y qué otras rutinas de cuidado tiene?
    Beschrijf een gewone dag van je huisdier: wat eet het, hoe laat, en welke andere verzorgingsroutines heeft het?

    __________________________________________________________________________________________________________

  4. Tu gato o perro se rasca mucho y vas al veterinario. ¿Cómo explicas el problema y qué preguntas haces sobre el tratamiento o la comida?
    Je kat of hond krabt zich veel en je gaat naar de dierenarts. Hoe leg je het probleem uit en welke vragen stel je over de behandeling of het voer?

    __________________________________________________________________________________________________________