Gebruik 'gaan' + infinitief om een actie in de toekomst te beschrijven, zoals 'Ik ga koken', 'Hij gaat studeren'.

(Use 'gaan' + infinitive to describe an action in the future, like 'Ik ga koken', 'Hij gaat studeren'.)

1. What does gaan + infinitive mean?

You use gaan + infinitive to talk about a planned or near future.

  • Ik ga koken. – I am going to cook. (I have this plan.)
  • Wij gaan sporten. – We are going to do sports.

Think of English “to be going to + verb”. The idea is very similar.

2. The structure: where does each word go?

The structure is always the same:

  • subject (ik, jij, hij, wij, …)
  • conjugated gaan (ga, gaat, gaan)
  • … other words …
  • infinitive at the end (koken, werken, studeren)

Pattern:

subject + gaan (conjugated) + … + infinitive

  • Ik ga vanavond pasta koken.
  • Wij gaan morgen thuis werken.
  • Hij gaat in juli op vakantie.

The infinitive (the second verb) always goes to the end of the sentence.

3. Conjugation: choosing ga, gaat, gaan

Only gaan changes. The infinitive after it stays in the basic form.

Person Form of gaan Example
ik ga Ik ga koken.
jij / je / u gaat Jij gaat studeren.
hij / zij / het gaat Hij gaat werken.
wij / we gaan Wij gaan sporten.
jullie gaan Jullie gaan zwemmen.
zij (meervoud) gaan Zij gaan winkelen.
  • After ga / gaat / gaan the next verb is always in the infinitive: koken, werken, studeren, reizen, …

4. Word order: typical mistakes to avoid

Pay attention to two things:

  1. Do not put two conjugated verbs.
  2. Keep the infinitive at the end.
  • Ik ga kook vanavond.Ik ga vanavond koken.
  • Wij gaan werken morgen thuis.Wij gaan morgen thuis werken.
  • Hij gaat bellen straks de klant.Hij gaat straks de klant bellen.

The information in the middle can change position (time, place, object), but the infinitive stays at the end.

5. When do you choose gaan + infinitive?

Use gaan + infinitive for:

  • Personal plans (you decided it):
    Ik ga vanavond lezen.
  • Fixed arrangements in the near future:
    Wij gaan morgen een online meeting hebben.
  • Season / month plans (already in your mind):
    In juli ga ik drie weken op vakantie.

For A1 level, it is safe to use gaan + infinitive for most future plans.

6. Gaan + infinitive vs. present tense for future

In Dutch, the present tense can also express the future.

  • Ik werk morgen thuis. (present form, future meaning)
  • Ik ga morgen thuis werken. (gaan + infinitive)

At A1, this is a simple guideline:

  • Use present tense for very fixed things (timetable, official schedule).
    Het examen is volgende week.
  • Use gaan + infinitive for your own plans and arrangements.
    Ik ga volgende week voor het examen studeren.

7. Step-by-step self check

  1. Do I really have a future idea?
    If yes → continue. If not, you probably need simple present.
  2. Did I choose the correct form of gaan?
    • ik → ga
    • jij / u / hij / zij / het → gaat
    • wij / jullie / zij → gaan
  3. Is the second verb in infinitive?
    • koken, werken, studeren, reizen, bellen, …
    • Not: kookt, werkt, studeert
  4. Is the infinitive at the end of the sentence?
    • Correct: Ik ga morgen in de stad winkelen.
    • Wrong: Ik ga winkelen morgen in de stad. (not wrong in meaning, but for A1, train yourself to place the infinitive at the end)

8. Mini practice: can you spot the correct version?

  • 1) Ik ga schrijf een e-mail.
    Ik ga een e-mail schrijven.
  • 2) Hij ga morgen sporten.
    Hij gaat morgen sporten.
  • 3) Wij gaat in juni op vakantie.
    Wij gaan in juni op vakantie.

9. What should you pay attention to?

  • Only gaan is conjugated, the other verb stays in infinitive.
  • Infinitive at the end of the clause/sentence.
  • Use it for plans and near future, especially your own actions.
  • Compare with English “going to” to help yourself remember.

If these points feel clear, you are ready to use gaan + infinitive in conversation.

  1. Form: 'gaan' + infinitive
  2. Use: For planned or near future actions.
Persoon (Person)Gaan  (To go)Voorbeeld (Example)
IkgaIk ga koken.
Jij/ugaatJij gaat studeren.
Hij/zij/hetgaatHij gaat werken.
WijgaanWij gaan sporten.
JulliegaanJullie gaan zwemmen.
ZijgaanZij gaan winkelen.

Exercise 1: Multiple choice

Instruction: Choose the correct answer

1. In juli ___ ik drie weken op vakantie naar Italië.

In July ___ I'm going on holiday to Italy for three weeks.)

2. Morgen ___ hij met zijn kinderen schaatsen, want het is winter.

Tomorrow ___ he's going skating with his children because it's winter.)

3. In september ___ wij een teamuitje organiseren.

In September ___ we're going to organize a team outing.)

4. In de lente ___ jullie elke vrijdag samen lunchen op het terras.

In the spring ___ you'll have lunch together on the terrace every Friday.)

Exercise 2: Rewrite the phrases

Instruction: Rewrite the sentences using the correct form of 'gaan' + infinitive to express a planned or imminent future.

Show/Hide translation Show/Hide hints
  1. Morgen ik koken voor mijn vrienden.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Morgen ga ik koken voor mijn vrienden.
    (Morgen ga ik voor mijn vrienden koken.)
  2. Vanavond wij oefenen voor het examen Nederlands.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Vanavond gaan wij oefenen voor het examen Nederlands.
    (Vanavond gaan wij voor het examen Nederlands oefenen.)
  3. Volgende week jij op vakantie naar Spanje.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Volgende week ga jij op vakantie naar Spanje.
    (Volgende week ga jij op vakantie naar Spanje.)
  4. Om tien uur hij de directeur bellen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Om tien uur gaat hij de directeur bellen.
    (Om tien uur gaat hij de directeur bellen.)
  5. Straks jullie in het café zitten en iets drinken.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Straks gaan jullie in het café zitten en iets drinken.
    (Straks gaan jullie in het café zitten en iets drinken.)
  6. Morgen zij niet werken, want het is zondag.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Morgen gaan zij niet werken, want het is zondag.
    (Morgen gaan zij niet werken, want het is zondag.)

Exercise 3: Grammar in action

Instruction: Tell when you are going to take holiday and what you are going to do there.

Show/Hide translation
Situation
Je plant met een collega vakanties voor verschillende maanden en seizoenen.
(You and a colleague are planning holidays for different months and seasons.)

Discuss
  • In welke maand ga jij vakantie nemen en waarom? (In which month will you take holiday and why?)
  • Wat ga jij in de zomer doen? En wat ga je in de winter doen? (What will you do in the summer? And what will you do in the winter?)

Useful words and phrases
  • In juli ga ik vakantie nemen. (I will take holiday in July.)
  • In de winter ga ik reizen. (In winter I will travel.)
  • Ik ga in mei gaan wandelen. (I am going hiking in May.)

Use in conversation
  • Ik ga + infinitief + in + maand/seizoen (Ik ga + infinitief + in + maand/seizoen)
  • Hij/zij gaat + infinitief + in + seizoen (Hij/zij gaat + infinitief + in + seizoen)
  • Wij gaan + infinitief + in + maand (Wij gaan + infinitief + in + maand)

Written by

This content has been designed and reviewed by the coLanguage pedagogical team: About coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Business and languages

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Last Updated:

Wednesday, 18/02/2026 16:40