Gebruik 'gaan' + infinitief om een actie in de toekomst te beschrijven, zoals 'Ik ga koken', 'Hij gaat studeren'.

1. Wat leer je hier precies?

  • Je drukt een plan of nabije toekomst uit met gaan + infinitief.
  • Je kiest de juiste vorm van “gaan” (ga/gaat/gaan).
  • Je plaatst de infinitief op de goede plek in de zin.

Als je deze uitleg hebt gelezen, kun je zelf zinnen maken als:
“Ik ga morgen sporten.” – “Wij gaan in juni op vakantie.”

2. De vorm: zo bouw je het op

De basis is altijd:

onderwerp + vorm van “gaan” + … + infinitief

  • Ik ga koken.
  • Hij gaat werken.
  • Wij gaan sporten.

De infinitief is de woordenboekvorm van het werkwoord:

  • werken, koken, studeren, reizen, slapen, lezen, …

3. Vervoeging van “gaan” (herhaal kort)

Persoon Vorm van “gaan” Voorbeeld
ik ga Ik ga koken.
jij / je gaat Jij gaat studeren.
u gaat U gaat vroeg opstaan.
hij / zij / het gaat Hij gaat werken.
wij / we gaan Wij gaan sporten.
jullie gaan Jullie gaan zwemmen.
zij / ze (meervoud) gaan Zij gaan winkelen.

4. Wanneer gebruik je “gaan + infinitief”?

  • Geplande toekomst: je hebt er al over nagedacht.
    • Ik ga morgen thuis werken.
    • Wij gaan volgende maand verhuizen.
  • Nabije toekomst: het gebeurt straks, zo meteen, vandaag.
    • Hij gaat zo meteen bellen.
    • Ik ga straks boodschappen doen.

In gewone spreektaal gebruik je heel vaak “gaan + infinitief” voor de toekomst.
Vergelijkbaar met Engels “going to …” of Frans “aller + infinitif”.

5. Let op het woord dat de tijd aangeeft

Vaak staat er een woord of uitdrukking bij die duidelijk maakt dat het over de toekomst gaat:

  • morgen, straks, zo meteen, vanavond
  • binnenkort, volgende week, volgend jaar
  • in januari, in de zomer, in het weekend

Combineer die met “gaan + infinitief”:

  • Ik ga vanavond een presentatie voorbereiden.
  • Wij gaan volgende week op zakenreis.
  • Zij gaat in de winter vaak skiën.

6. Woordvolgorde: waar komt de infinitief?

Basisregel:

onderwerp – “gaan” – (tijd / plaats / andere info) – infinitief

  • Ik ga morgen sporten.
  • Wij gaan in juli op vakantie.
  • Hij gaat in het weekend werken.

Je kunt de tijd ook naar voren halen. “Gaan” blijft dan op plaats 2 en de infinitief aan het eind:

  • Morgen ga ik sporten.
  • Volgende maand gaat hij verhuizen.

Vermijd dit soort fouten:

  • Ik ga sporten morgen.Ik ga morgen sporten.
  • Morgen ik ga sporten.Morgen ga ik sporten.

7. “Gaan” als echte beweging of als toekomst?

“Gaan” kan twee dingen betekenen:

  1. Beweging: je verplaatst je ergens naartoe.
  2. Toekomstvorm: je gaat iets doen.

Vergelijk:

  • Beweging: Ik ga naar de supermarkt. (alleen lopen/rijden)
  • Toekomst: Ik ga boodschappen doen. (de activiteit “boodschappen doen” in de toekomst)

Beide kunnen samen in één zin staan:

  • Ik ga naar de supermarkt boodschappen doen.
    (vorm: ga + boodschappen doen)

8. “Gaan” of “zal / zullen”?

Op A1 gebruik je vooral “gaan + infinitief”.

  • Gaan + infinitief = plan of nabije toekomst.
    • Ik ga vanmiddag een rapport schrijven.
  • Zal / zullen hoor je ook, maar is formeler of minder direct.
    • Ik zal vanmiddag een rapport schrijven. (formeler, belofte)

Voor nu: als je over je plannen praat, kies in de eerste plaats voor:

ik ga / jij gaat / hij gaat / wij gaan + infinitief

9. Veelgemaakte fouten (& hoe je ze vermijdt)

  • 1. Verkeerde vorm van “gaan”
    • Wij gaat morgen werken.Wij gaan morgen werken.
    • Ik gaan sporten.Ik ga sporten.
  • 2. Verkeerde positie van de infinitief
    • Hij gaat werken morgen.Hij gaat morgen werken.
    • Morgen gaat hij werken in Brussel. (goed) – hier staat de infinitief al mooi aan het einde.
  • 3. “Gaan” combineren met een vervoegde vorm
    • Ik ga werkt morgen.Ik ga morgen werken.
    • Wij gaan zijn koken.Wij gaan koken.

10. Snelle zelfcheck: kan ik dit al?

  1. Kun je de juiste vorm van “gaan” kiezen bij elk onderwerp?
    • ik … studeren → ga
    • jullie … reizen → gaan
    • zij (meervoud) … koken → gaan
  2. Kun je minstens drie plannen over jezelf maken met tijdswoord?
    • Voorbeeld: Ik ga morgen …
    • Volgende week ga ik …
    • In de zomer ga ik …
  3. Kun je de infinitief op het einde zetten als je de zin met een tijd begint?
    • Vanavond ga ik …
    • Straks gaat hij …

Als je overal “ja” op kunt zeggen, beheers je gaan + infinitief goed genoeg om het in gesprekken te gebruiken.

  1. Vorm: 'gaan' + infinitief
  2. Gebruik: Voor geplande of nabije toekomst.
PersoonGaan Voorbeeld
IkgaIk ga koken.
Jij/ugaatJij gaat studeren.
Hij/zij/hetgaatHij gaat werken.
WijgaanWij gaan sporten.
JulliegaanJullie gaan zwemmen.
ZijgaanZij gaan winkelen.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. In juli ___ ik drie weken op vakantie naar Italië.


2. Morgen ___ hij met zijn kinderen schaatsen, want het is winter.


3. In september ___ wij een teamuitje organiseren.


4. In de lente ___ jullie elke vrijdag samen lunchen op het terras.


Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met de juiste vorm van 'gaan' + infinitief om een geplande of nabije toekomst uit te drukken.

Toon/verberg hints
  1. Morgen ik koken voor mijn vrienden.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Morgen ga ik koken voor mijn vrienden.
  2. Vanavond wij oefenen voor het examen Nederlands.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Vanavond gaan wij oefenen voor het examen Nederlands.
  3. Volgende week jij op vakantie naar Spanje.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Volgende week ga jij op vakantie naar Spanje.
  4. Om tien uur hij de directeur bellen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Om tien uur gaat hij de directeur bellen.
  5. Straks jullie in het café zitten en iets drinken.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Straks gaan jullie in het café zitten en iets drinken.
  6. Morgen zij niet werken, want het is zondag.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Morgen gaan zij niet werken, want het is zondag.

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Vertel wanneer je vakantie gaat nemen en wat je daar gaat doen.

Situatie
Je plant met een collega vakanties voor verschillende maanden en seizoenen.

Bespreek
  • In welke maand ga jij vakantie nemen en waarom?
  • Wat ga jij in de zomer doen? En wat ga je in de winter doen?

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • In juli ga ik vakantie nemen.
  • In de winter ga ik reizen.
  • Ik ga in mei gaan wandelen.

Gebruik in gesprek
  • Ik ga + infinitief + in + maand/seizoen
  • Hij/zij gaat + infinitief + in + seizoen
  • Wij gaan + infinitief + in + maand

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 16:40