A1.12.2 - Zukunft mit 'gaan'
Toekomende tijd met 'gaan'
Gebruik 'gaan' + infinitief om een actie in de toekomst te beschrijven, zoals 'Ik ga koken', 'Hij gaat studeren'.
(Verwenden Sie 'gaan' + Infinitiv, um eine Handlung in der Zukunft zu beschreiben, wie 'Ik ga koken', 'Hij gaat studeren'.)
- Form: 'gaan' + Infinitiv
- Verwendung: Für geplante oder nahe Zukunft.
| Persoon (Person) | Gaan (Gehen) | Voorbeeld (Beispiel) |
|---|---|---|
| Ik | ga | Ik ga koken. (Ich werde kochen.) |
| Jij/u | gaat | Jij gaat studeren. (Du werden/studieren — Sie werden studieren.) |
| Hij/zij/het | gaat | Hij gaat werken. (Er wird arbeiten.) |
| Wij | gaan | Wij gaan sporten. (Wir werden Sport treiben.) |
| Jullie | gaan | Jullie gaan zwemmen. (Ihr werdet schwimmen.) |
| Zij | gaan | Zij gaan winkelen. (Sie werden einkaufen.) |
Übung 1: Zukunft mit gehen
Anleitung: Füllen Sie das richtige Wort ein.
Ga, gaat, gaan, ga
Übung 2: Mehrfachauswahl
Anleitung: Wähle die richtige Antwort
1. In juli ___ ik drie weken op vakantie naar Italië.
Im Juli ___ ich drei Wochen in den Urlaub nach Italien.)2. Morgen ___ hij met zijn kinderen schaatsen, want het is winter.
Morgen ___ er mit seinen Kindern Schlittschuhlaufen, denn es ist Winter.)3. In september ___ wij een teamuitje organiseren.
Im September ___ wir einen Teamausflug organisieren.)4. In de lente ___ jullie elke vrijdag samen lunchen op het terras.
Im Frühling ___ ihr jeden Freitag zusammen auf der Terrasse zu Mittag essen.)Übung 3: Umschreiben Sie die Ausdrücke
Anleitung: Schreibe die Sätze mit der richtigen Form von „gaan“ + Infinitiv um, um eine geplante oder nahe Zukunft auszudrücken.
-
Morgen ik koken voor mijn vrienden.⇒ _______________________________________________ ExampleMorgen ga ik koken voor mijn vrienden.(Morgen ga ik voor mijn vrienden koken.)
-
Vanavond wij oefenen voor het examen Nederlands.⇒ _______________________________________________ ExampleVanavond gaan wij oefenen voor het examen Nederlands.(Vanavond gaan wij voor het examen Nederlands oefenen.)
-
Volgende week jij op vakantie naar Spanje.⇒ _______________________________________________ ExampleVolgende week ga jij op vakantie naar Spanje.(Volgende week ga jij op vakantie naar Spanje.)
-
Om tien uur hij de directeur bellen.⇒ _______________________________________________ ExampleOm tien uur gaat hij de directeur bellen.(Om tien uur gaat hij de directeur bellen.)
-
Straks jullie in het café zitten en iets drinken.⇒ _______________________________________________ ExampleStraks gaan jullie in het café zitten en iets drinken.(Straks gaan jullie in het café zitten en iets drinken.)
-
Morgen zij niet werken, want het is zondag.⇒ _______________________________________________ ExampleMorgen gaan zij niet werken, want het is zondag.(Morgen gaan zij niet werken, weil es Sonntag ist.)
Wenden Sie diese Grammatik bei echten Gesprächen an!
Diese Grammatikübungen sind Teil unserer Konversationskurse. Finde einen Lehrer und übe dieses Thema in echten Gesprächen!
- Implementiert CEFR, DELE-Prüfung und Richtlinien des Cervantes-Instituts
- Unterstützt von der Universität Siegen
Geschrieben von
Dieser Inhalt wurde vom pädagogischen Team von coLanguage entworfen und überprüft. Über coLanguage