Koken (cocinar) - Voltooid verleden tijd (VVT), aantonende wijs (Pretérito perfecto compuesto, modo imperativo) Compartir ¡Copiado!

Koken - Conjugación de cocinar en neerlandés: tabla de conjugación, ejemplos y ejercicios en el pretérito perfecto, modo indicativo. (Voltooid verleden tijd (VVT), aantonende wijs).
Voltooid verleden tijd (VVT), aantonende wijs (Pretérito perfecto compuesto, modo imperativo)
Todas las conjugaciones y tiempos: Koken (cocinar) - Conjugación de verbos y ejercicios
Plan de estudios: Clase de neerlandés - Dagelijkse diensten (Servicios cotidianos)
Conjugación de cocinar en pretérito perfecto compuesto
Neerlandés | Español |
---|---|
(ik) heb gekookt | yo he cocinado |
(jij) hebt gekookt / hebt gekookt? | tú has cocinado |
(hij/zij/het) heeft gekookt | él/ella/eso ha cocinado |
(wij) hebben gekookt | nosotros hemos cocinado |
(jullie) hebben gekookt | vosotros habéis cocinado |
(zij) hebben gekookt | ellos cocinaron |
Frases de ejemplo
Neerlandés | Español |
---|---|
Ik heb gekookt voor de familie gisteren. | Yo cociné para la familia ayer. |
Jij hebt gekookt toen ik naar het ziekenhuis ging. | Tú has cocinado cuando fui al hospital. |
Hij heeft gekookt voor de patiënten in het ziekenhuis. | Él cocinó para los pacientes en el hospital. |
Wij hebben gekookt in de keuken van het kantoor samen. | Nosotros hemos cocinado juntos en la cocina de la oficina. |
Jullie hebben gekookt voor de mensen in de bibliotheek. | Vosotros habéis cocinado para las personas en la biblioteca. |
Zij hebben gekookt omdat het eten klaar moest zijn. | Ellos cocinaron porque la comida tenía que estar lista. |