Haben (hebben)

Haben (hebben)

Leer het werkwoord "haben" te vervoegen in het Duits: tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs.

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Haben (hebben)

Familie (Familie)

Duits
(ich) habe
(du) hast
(er/sie/es) hat
(wir) haben
(ihr) habt
(sie) haben