Schlafen (slapen) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

 Schlafen (slapen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Schlafen - Vervoeging van schlafen in het Duits: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs (Präsens, indikativ).

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Schlafen (slapen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Syllabus: Duitse les - Wochentage und Tagesabschnitte (Dagen van de week en dagdelen)

vervoeging van slapen in de tegenwoordige tijd

Duits Nederlands
(ich) schlafe ik slaap
(du) schläfst jij slaapt
(er/sie/es) schläft hij/zij/het slaapt
(wir) schlafen wij slapen
(ihr) schlaft jullie slapen
(sie) schlafen zij slapen

Voorbeeldzinnen

Duits Nederlands
Ich schlafe am Montagmorgen früh. Ik slaap maandagochtend vroeg.
Du schläfst am Samstag spät. Jij slaapt zaterdag laat.
Er schläft am Sonntagabend lange. Hij slaapt zondagavond lang.
Wir schlafen in der Nacht gut. Wij slapen goed in de nacht.
Ihr schlaft am Freitagvormittag kurz. Jullie slapen vrijdag in de voormiddag kort.
Sie schlafen am Mittwoch sehr tief. zij slapen op woensdag heel diep