A1.9: Dagen van de week en dagdelen

Wochentage und Tageszeiten

Leer de dagen van de week zoals Montag en Sonntag en de dagdelen zoals Morgen en Abend, inclusief het gebruik van voorzetsels om tijden aan te geven, zoals "am Montag" en "um acht Uhr".

Woordenschat (19)

 Der Montag: maandag (Duits)

Der Montag

Show

Maandag Show

 Der Dienstag: Dinsdag (Duits)

Der Dienstag

Show

Dinsdag Show

 Der Mittwoch: Woensdag (Duits)

Der Mittwoch

Show

Woensdag Show

 Der Donnerstag: Donderdag (Duits)

Der Donnerstag

Show

Donderdag Show

 Der Freitag: vrijdag (Duits)

Der Freitag

Show

Vrijdag Show

 Der Samstag: Zaterdag (Duits)

Der Samstag

Show

Zaterdag Show

 Der Sonntag: De zondag (Duits)

Der Sonntag

Show

De zondag Show

 Der Morgen: De ochtend (Duits)

Der Morgen

Show

De ochtend Show

 Der Vormittag: de ochtend (Duits)

Der Vormittag

Show

De ochtend Show

 Der Mittag: De middag (Duits)

Der Mittag

Show

De middag Show

 Der Nachmittag: de namiddag (Duits)

Der Nachmittag

Show

De namiddag Show

 Der Abend: De avond (Duits)

Der Abend

Show

De avond Show

 Die Nacht: De nacht (Duits)

Die Nacht

Show

De nacht Show

 Die Woche: De week (Duits)

Die Woche

Show

De week Show

 Das Wochenende: het weekend (Duits)

Das Wochenende

Show

Het weekend Show

 Früh: vroeg (Duits)

Früh

Show

Vroeg Show

 Schlafen (slapen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Schlafen

Show

Slapen Show

 Machen (maken) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Machen

Show

Maken Show

 Spät: laat (Duits)

Spät

Show

Laat Show

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.

Toon antwoorden
1.
von neun | bis fünf. | im Büro | arbeite ich | Am Montag
Am Montag arbeite ich im Büro von neun bis fünf.
(Op maandag werk ik op kantoor van negen tot vijf.)
2.
ich mit | Uhr frühstücke | meiner Familie. | Um acht
Um acht Uhr frühstücke ich mit meiner Familie.
(Om acht uur ontbijt ik met mijn familie.)
3.
mich. | Sport und am | ich am Samstag | Sonntag entspanne ich | Am Wochenende mache
Am Wochenende mache ich am Samstag Sport und am Sonntag entspanne ich mich.
(In het weekend sport ik op zaterdag en ontspan ik op zondag.)
4.
ich am | spazieren. | Nach der | Arbeit gehe | Abend oft
Nach der Arbeit gehe ich am Abend oft spazieren.
(Na het werk ga ik 's avonds vaak wandelen.)
5.
Schwimmbad. | Im Sommer | gehe ich | am Nachmittag | gern ins
Im Sommer gehe ich am Nachmittag gern ins Schwimmbad.
(In de zomer ga ik graag 's middags naar het zwembad.)
6.
jeden Nachmittag | habe ich | Deutschunterricht. | Seit Mittwoch
Seit Mittwoch habe ich jeden Nachmittag Deutschunterricht.
(Sinds woensdag heb ik elke middag Duitsles.)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Kom de vertalingen overeen

Am Dienstag treffe ich dich um fünf Uhr im Café. (Op dinsdag ontmoet ik je om vijf uur in het café.)
Ab morgen mache ich jeden Morgen Sport. (Vanaf morgen doe ik elke ochtend aan sport.)
Am Samstag schlafen wir lange nach dem Frühstück. (Op zaterdag slapen wij lang na het ontbijt.)
Nach der Arbeit gehe ich am Abend nach Hause. (Na het werk ga ik 's avonds naar huis.)

Oefening 3: Clusteren van woorden

Instructie: Orden de woorden in de twee groepen 'Weekdagen' en 'Dagdelen', zodat je de begrippen beter kunt leren.

Wochentage

Tagesabschnitte

Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

Der Donnerstag


Donderdag

2

Der Mittag


De middag

3

Der Vormittag


De ochtend

4

Der Sonntag


De zondag

5

Früh


Vroeg

Übung 5: Gespreksoefening

Anleitung:

  1. Noem de dag en het tijdstip. (Noem de dag en het tijdstip.)
  2. Beschrijf de activiteit van elke persoon. (Beschrijf de activiteit van elke persoon.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Es ist Mittwochmorgen.

Het is woensdagochtend.

Es ist Samstagabend.

Het is zaterdagavond.

Es ist Dienstagnachmittag.

Het is dinsdagmiddag.

Am Donnerstag studiert Maria morgens.

Op donderdag studeert Maria 's ochtends.

Am Samstag bereitet er nachmittags Kuchen zu.

Op zaterdag maakt hij 's middags een taart.

Am Freitag feiern die Freunde abends.

Op vrijdag vieren de vrienden 's avonds.

...

Oefening 6: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 7: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Am Montag ___ ich immer früh, weil ich am nächsten Tag arbeiten muss.

(Op maandag ___ ik altijd vroeg, omdat ik de volgende dag moet werken.)

2. Um acht Uhr ___ ich normalerweise Frühstück für meine Familie.

(Om acht uur ___ ik meestal ontbijt voor mijn familie.)

3. Nach der Arbeit ___ ich oft Sport, um gesund zu bleiben.

(Na het werk ___ ik vaak sport om gezond te blijven.)

4. Am Wochenende ___ ich meistens länger, weil ich frei habe.

(In het weekend ___ ik meestal langer, omdat ik vrij ben.)

Oefening 8: Mijn weekplanning en mijn slaapgewoonten

Instructie:

Ich (Schlafen - Präsens) immer am Montagmorgen lange, weil ich am Wochenende oft spät ins Bett gehe. Am Dienstag (Machen - Präsens) ich nach der Arbeit Sport. Im Winter (Schlafen - Präsens) wir meistens länger, weil es draußen kalt und dunkel ist. Am Samstagabend (Machen - Präsens) ich oft eine Party mit Freunden. Ab Sonntagabend (Schlafen - Präsens) ich wieder früher, damit ich mich auf die neue Woche vorbereiten kann.


Ik slaap altijd lang op maandagochtend, omdat ik in het weekend vaak laat naar bed ga. Op dinsdag doe ik na het werk aan sport. In de winter slapen we meestal langer, omdat het buiten koud en donker is. Op zaterdagavond geef ik vaak een feestje met vrienden. Vanaf zondagavond slaap ik weer vroeger, zodat ik me kan voorbereiden op de nieuwe week.

Werkwoordschema's

Schlafen - Slapen

Präsens

  • ich schlafe
  • du schläfst
  • er/sie/es schläft
  • wir schlafen
  • ihr schlaft
  • sie/Sie schlafen

Machen - Doen

Präsens

  • ich mache
  • du machst
  • er/sie/es macht
  • wir machen
  • ihr macht
  • sie/Sie machen

Oefening 9: Präpositionen: Zeiten angeben

Instructie: Vul het juiste woord in.

Grammatica: Voorzetsels: tijdsaanduidingen

Toon vertaling Toon antwoorden

Ab, Nach, am, um, im, nach

1.
Wir fahren ... Sommer nach Spanien.
(We gaan in de zomer naar Spanje.)
2.
Wir treffen uns ... zwölf Uhr.
(We spreken om twaalf uur af.)
3.
... nächstem Monate wohne ich in Frankreich.
(Vanaf volgende maand woon ik in Frankrijk.)
4.
... dem Sport gehe ich schlafen.
(Na het sporten ga ik slapen.)
5.
Der Film endet ... zwölf Uhr nachts.
(De film eindigt om twaalf uur 's nachts.)
6.
Er kommt ... der Arbeit nach Hause.
(Hij komt na het werk thuis.)
7.
Das Geschäft öffnet ... Montag um zehn Uhr.
(De winkel gaat maandag om tien uur open.)
8.
Sie kommt ...Dienstag.
(Ze komt op dinsdag.)

Oefening 10: Personalpronomen - Akkusativ

Instructie: Vul het juiste woord in.

Grammatica: Persoonlijke voornaamwoorden - lijdend voorwerp

Toon vertaling Toon antwoorden

sie, uns, euch, ihn, Sie, mich

1. Sie (Plural):
: Er hat ... gestern vormittag getroffen.
(Hij heeft haar gisteren in de ochtend ontmoet.)
2. Ihr:
: Wir haben ... gestern nicht gesehen.
(We hebben jullie gisteren niet gezien.)
3. Sie (Singular):
: Er kennt ... sehr gut.
(Hij kent haar heel goed.)
4. Ich:
: Du hast ... am Donnerstag angerufen.
(Je hebt me donderdag gebeld.)
5. Sie (höfliche Anrede):
: Ich sehe ... dann am Montag!
(Ik zie u dan maandag!)
6. Ich:
: Sie hört ... nicht.
(Ze hoort me niet.)
7. Wir:
: Sie sieht ... heute Nachmittag.
(Ze ziet ons vanmiddag.)
8. Er:
: Ich verstehe ... sehr gut.
(Ik begrijp hem heel goed.)

Grammatica

We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!

A1.9.2 Grammatik

Personalpronomen - Akkusativ

Persoonlijke voornaamwoorden - lijdend voorwerp


Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les

Schlafen slapen

Präsens

Duits Nederlands
(ich) schlafe ik slaap
(du) schläfst jij slaapt
(er/sie/es) schläft hij/zij/het slaapt
(wir) schlafen wij slapen
(ihr) schlaft jullie slapen
(sie) schlafen zij slapen

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Machen maken

Präsens

Duits Nederlands
(ich) mache ik maak
(du) machst jij maakt
(er/sie/es) macht hij/zij/het maakt
(wir) machen wij maken
(ihr) macht jullie maken
(sie) machen zij maken

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Duits oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Overzicht van de les: Dagen van de week en delen van de dag

In deze les leer je belangrijke basiswoorden en uitdrukkingen om tijdsperiodes in het Duits aan te geven. De focus ligt op de wochentage (dagen van de week) en tagesabschnitte (delen van de dag), samen met handige voorzetsels om exacte tijden of perioden te benoemen.

Belangrijke woordenschat

  • Wochentage: der Montag, der Dienstag, der Mittwoch, der Donnerstag, der Freitag, der Samstag, der Sonntag
  • Tagesabschnitte: der Morgen, der Mittag, der Nachmittag, der Abend, die Nacht

Voorzetsels en tijdsaanduidingen

Met voorzetsels zoals am, um en nach geef je aan wanneer iets gebeurt. Enkele voorbeelden:

  • Am Montag arbeite ich im Büro von neun bis fünf. – Op maandag werk ik op kantoor van negen tot vijf.
  • Um acht Uhr frühstücke ich mit meiner Familie. – Om acht uur ontbijt ik met mijn familie.
  • Nach der Arbeit gehe ich am Abend oft spazieren. – Na het werk ga ik ’s avonds vaak wandelen.

Persoonlijke voornaamwoorden in de accusatief

Je leert ook over persoonlijke voornaamwoorden in de accusatief, bijvoorbeeld ich wordt mich, du wordt dich. Dit helpt je zinnen correct te maken wanneer je over mensen praat die het lijdend voorwerp zijn.

Tips voor het leren van tijdsaanduidingen

  • Groeper woorden in categorieën zoals 'dagen van de week' en 'delen van de dag' om ze beter te onthouden.
  • Oefen zinnen die je dagelijkse routine beschrijven: bijvoorbeeld Am Samstag schlafen wir lange nach dem Frühstück.
  • Let op werkwoordsvervoegingen bij tijdsaanduidingen, zoals ich schlafe, du machst.

Verschillen tussen Nederlands en Duits over tijdsaanduidingen

In het Duits gebruik je vaak het voorzetsel am bij dagen en specifieke dagdelen, waar het Nederlands meestal geen voorzetsel gebruikt, bijvoorbeeld: am Montag tegenover maandag. Daarnaast wordt um gebruikt voor exacte kloktijden (vb. um acht Uhr), terwijl het Nederlands simpelweg de tijd zegt zonder voorzetsel (om acht uur is wel hetzelfde, let dus goed op de overeenkomsten!).

Handige uitdrukkingen:

  • Am Morgen – in de ochtend
  • Am Abend – 's avonds
  • Nach der Arbeit – na het werk
  • Jeden Tag – elke dag
  • Von ... bis ... – van ... tot ...

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏