Schmücken (versieren) - Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

 Schmücken (versieren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Schmücken - Vervoeging van versieren in het Duits: vervoegingstabel, voorbeelden en oefeningen in de tegenwoordige tijd, aanvoegende wijs (Präsens, indikativ).

Präsens, indikativ (Tegenwoordige tijd, indicatief)

Alle vervoegingen en tijden: Schmücken (versieren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Syllabus: Duitse les - Kalenderdaten und Feiertage (Kalenderdata en feestdagen)

Vervoeging van versieren in de tegenwoordige tijd

Duits Nederlands
(ich) schmücke ik versier
(du) schmückst jij versiert
(er/sie/es) schmückt hij/zij/het versiert
(wir) schmücken wij versieren
(ihr) schmückt jullie versieren
(sie) schmücken zij versieren

Voorbeeldzinnen

Duits Nederlands
Ich schmücke den Tannenbaum zu Weihnachten. Ik versier de kerstboom met Kerstmis.
Du schmückst das Haus für den Karneval. Jij versiert het huis voor het carnaval.
Er schmückt das Zimmer am Feiertag. Hij versiert de kamer op feestdagen.
Wir schmücken das Fest zum Neujahr zusammen. Wij versieren het feest voor het nieuwe jaar samen.
Ihr schmückt die Wohnung für Ostern. Jullie versieren de woning voor Pasen.
Sie schmücken den Urlaub mit bunten Lichtern. Zij versieren de vakantie met kleurrijke lichtjes.