Rentrer (terugkeren) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen
Delen
Gekopieerd!
Vervoeging van rentrer (terugkeren) voor alle werkwoordstijden met voorbeeldzinnen en oefeningen.
Infinitif |
Participe passé |
Rentrer
(terugkeren)
|
rentré
(teruggekeerd)
|
Werkwoordsvervoegingen
Indicatif
Present
Delen
Gekopieerd!
Frans |
Nederlands |
(je/j') rentre |
ik keer terug |
(tu) rentres |
jij keert terug |
(il/elle/on) rentre |
hij/zij/men keert terug |
(nous) rentrons |
wij keren terug |
(vous) rentrez |
u keert terug |
(ils/elles) rentrent |
zij keren terug |
|
Imparfait
Delen
Gekopieerd!
Frans |
Nederlands |
(je/j') rentrer |
ik keerde terug |
(tu) rentrais |
jij keerde terug |
(il/elle/on) rentrait |
hij/zij/men keerde terug |
(nous) rentions |
wij keerden terug |
(vous) rentriez |
jullie keerden terug |
(ils/elles) rentraient |
zij keerden terug |
|
Passé composé
Delen
Gekopieerd!
Frans |
Nederlands |
(je/j') je suis rentré(e) |
ik ben teruggekeerd |
tu es rentré(e) |
jij bent teruggekeerd |
(il/elle/on) il est rentré / elle est rentrée / on est rentré(e)s |
hij is teruggekeerd / zij is teruggekeerd / we zijn teruggekeerd |
nous sommes rentré(e)s |
wij zijn teruggekeerd |
vous êtes rentré(e)(s) |
jullie zijn teruggekeerd |
(ils/elles) ils sont rentrés / elles sont rentrées |
zij zijn teruggekeerd |
|
Plus-que-parfait
Delen
Gekopieerd!
Frans |
Nederlands |
(je/j') j'étais rentré(e) |
ik was teruggekeerd |
tu étais rentré(e) |
jij was teruggekeerd |
il/elle/on était rentré(e) |
hij/zij/men was teruggekeerd |
nous étions rentré(e)s |
wij waren teruggekeerd |
vous étiez rentré(e)(s) |
jullie waren teruggekeerd |
ils/elles étaient rentré(e)s |
zij waren teruggekeerd |
|
Futur simple
Delen
Gekopieerd!
Frans |
Nederlands |
(je/j') rentrerai |
ik zal terugkeren |
(tu) rentreras |
jij zult terugkeren |
(il/elle/on) rentrera |
hij/zij/men zal terugkeren |
(nous) rentrerons |
wij zullen terugkeren |
(vous) rentrerez |
jullie zullen terugkeren |
(ils/elles) rentreront |
zij zullen terugkeren |
|
Futur antérieur
Delen
Gekopieerd!
Frans |
Nederlands |
(je/j') serai rentré(e) |
ik zal teruggekeerd zijn |
(tu) seras rentré(e) |
jij zult teruggekeerd zijn |
(il/elle/on) sera rentré(e) |
hij/zij/men zal teruggekeerd zijn |
(nous) serons rentrés(es) |
wij zullen teruggekeerd zijn |
(vous) serez rentré(e)(s) |
u zult teruggekeerd zijn |
(ils/elles) seront rentrés(es) |
zij zullen teruggekeerd zijn |
|
Conditionnel
Conditionnel présent
Delen
Gekopieerd!
Frans |
Nederlands |
(je/j') rentrerais |
ik zou terugkeren |
(tu) rentrerais |
jij zou terugkeren |
(il/elle/on) rentrerait |
hij/zij/men zou terugkeren |
(nous) rentrerions |
we zouden terugkeren |
(vous) rentreriez |
u zou terugkeren |
(ils/elles) rentreraient |
zij zouden terugkeren |
|
Conditionnel passé
Delen
Gekopieerd!
Frans |
Nederlands |
(je/j') je serais rentré / je serais rentrée |
ik zou zijn teruggekeerd |
tu serais rentré / tu serais rentrée |
jij zou teruggekeerd zijn / jij zou teruggekeerd zijn |
(il/elle/on) il serait rentré / elle serait rentrée / on serait rentré(e)(s) |
hij zou teruggekeerd zijn / zij zou teruggekeerd zijn / men zou teruggekeerd zijn |
nous serions rentrés / nous serions rentrées |
wij zouden teruggekeerd zijn |
vous seriez rentré / vous seriez rentrée / vous seriez rentrés / vous seriez rentrées |
jullie zouden teruggekeerd zijn / u zou teruggekeerd zijn / jullie zouden teruggekeerd zijn / u zou teruggekeerd zijn |
(ils/elles) ils seraient rentrés / elles seraient rentrées |
zij zouden teruggekeerd zijn |
|
Subjonctif
Subjonctif présent
Delen
Gekopieerd!
Frans |
Nederlands |
(je/j') rentre |
ik terugkeer |
(tu) rentres |
jij terugkeert |
(il/elle/on) rentre |
hij/zij/men terugkeert |
(nous) rentrions |
wij terugkeren |
(vous) rentriez |
jullie terugkeren |
(ils/elles) rentrent |
zij keren terug |
|
Subjonctif passé
Delen
Gekopieerd!
Frans |
Nederlands |
(je/j') que je sois rentré / rentrée |
ik teruggekeerd ben |
(tu) que tu sois rentré / rentrée |
jij dat jij teruggekeerd bent |
(il/elle/on) qu'il soit rentré / rentrée / qu'elle soit rentrée / rentrée / qu'on soit rentré / rentrée |
hij/zij/men teruggekeerd is |
(nous) que nous soyons rentrés / rentrées |
wij dat wij teruggekeerd zijn |
(vous) que vous soyez rentrés / rentrées |
jullie teruggekeerd zijn |
(ils/elles) qu'ils soient rentrés / rentrées |
zij dat ze teruggekeerd zijn |
|
Impératif