A1.8.3 - Hoofdzinnen en ja/nee-vragen
Hoofdzinnen en ja/nee-vragen
Bij een ja/nee-vraag is het antwoord altijd ja of nee.
- Een hoofdzin volgt de volgorde: subject - werkwoord - rest
- Een ja/nee-vraag begint met het werkwoord, gevolgd door het subject. De andere zinsdelen blijven op hun plaats.
| Zinstype | Voorbeeld |
|---|---|
| Hoofdzin | Ik kom uit Engeland. (Ik kom uit Engeland.) Ik woon nu in Utrecht. (Ik woon nu in Utrecht.) Jan leest een boek in zijn kamer. (Jan leest een boek in zijn kamer.) |
| Ja/nee-vraag | Woon je in Utrecht? (Woon je in Utrecht?) Krijg je morgen bezoek? (Krijg je morgen bezoek?) Zijn je ouders daar op vakantie? (Zijn je ouders daar op vakantie?) Schijnt de zon deze week? (Schijnt de zon deze week?) |
Oefening 1: Hoofdzinnen en ja/nee-vragen
Instructie: Vul het juiste woord in.
woon, kom, Zijn, Woon
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Wat ___ uw telefoonnummer?
2. Waar ___ je nu?
3. Wat ___ uw geboortedatum?
4. Je ___ in Amsterdam.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de hoofdzinnen als ja/nee-vraag of de ja/nee-vragen als hoofdzin. Let op de volgorde: hoofdzin = subject – werkwoord – rest; ja/nee-vraag = werkwoord – subject – rest.
-
Ga je morgen naar de gemeente?
-
Heeft u vandaag een afspraak bij de dokter?⇒ _______________________________________________ ExampleU heeft vandaag een afspraak bij de dokter.
-
Mijn vrouw studeert Nederlands in Utrecht.⇒ _______________________________________________ ExampleStudeert mijn vrouw Nederlands in Utrecht?
-
Werken jullie op zaterdag?
Pas deze grammatica toe tijdens echte gesprekken!
Deze grammatica-oefeningen maken deel uit van onze conversatiecursussen. Vind een leraar en oefen dit onderwerp tijdens echte gesprekken!
- Implementeert ERK-, DELE-examen en Cervantes-richtlijnen
- Ondersteund door de universiteit van Siegen
Geschreven door
Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage