A2.26.2 - Adjektiv mit oder ohne -e
Bijvoeglijk naamwoord met of zonder -e
Een bijvoeglijk naamwoord krijgt vaak een -e, maar niet altijd.
(Ein bijvoeglijk naamwoord bekommt oft ein -e, aber nicht immer.)
- Adjektive stehen oft vor dem Substantiv.
- Das Adjektiv erhält meistens ein -e.
| Woordeinde | Voorbeeld | ||
|---|---|---|---|
| +e | Enkelvoud | de het | de grote hond (der große Hund) het dikke boek (das dicke Buch) |
| Meervoud | de | de mooie huizen (die schönen Häuser) | |
| Met 'een' | de-woorden | een grote hond (ein großer Hund) | |
| deze, dit, die, dat + bijvoeglijk naamwoord | deze grote auto (dieser große Wagen) dit schattige kind (dieses niedliche Kind) dat leuke boek (jenes nette Buch) | ||
| bezittelijk voornaamwoord + bijvoeglijk naamwoord | mijn nieuwe auto (mein neues Auto) jouw oude huis (dein altes Haus) onze mooie auto (unser schönes Auto) | ||
| - | Met 'een' | het-woorden | een dik boek (ein dickes Buch) |
| Zijn + worden | Hij wordt groot. (Er wird groß.) Ik ben erg ziek. (Ich bin sehr krank.) | ||
| Een zelfstandig bijvoeglijk naamwoord na "wat" | Wat lief van je! (Wie lieb von dir!) Wat goed! (Wie gut!) |
Übung 1: Adjektiv mit oder ohne -e
Anleitung: Füllen Sie das richtige Wort ein.
duurzaam, grote, elektrische, aardig, lange, mooi, gevaarlijke, favoriete
Übung 2: Mehrfachauswahl
Anleitung: Wähle den richtigen Satz mit dem korrekten Gebrauch des Adjektivs mit oder ohne -e, passend zum Kontext des täglichen Transports.
Übung 3: Umschreiben Sie die Ausdrücke
Anleitung: Formuliere die Sätze um und verwende das Adjektiv mit der richtigen Endung (-e oder kein -e). Achte auf den Artikel (de/het/een), diese/dat/deze/die und die Verben zijn/worden.
-
Ik koop een (nieuw) laptop.⇒ _______________________________________________ ExampleIk koop een nieuwe laptop.(Ik koop een nieuwe laptop.)
-
Wij zoeken een (goed) restaurant. Het restaurant is niet zo duur.⇒ _______________________________________________ ExampleWij zoeken een goed restaurant. Het restaurant is niet zo duur.(Wij zoeken een goed restaurant. Het restaurant is niet zo duur.)
-
Dat is een (mooi) huis. Het huis is heel (mooi).⇒ _______________________________________________ ExampleDat is een mooi huis. Het huis is heel mooi.(Dat is een mooi huis. Het huis is heel mooi.)
-
Mijn (nieuw) collega komt morgen. Hij is nog (nieuw) hier.⇒ _______________________________________________ ExampleMijn nieuwe collega komt morgen. Hij is hier nog nieuw.(Mijn nieuwe collega komt morgen. Hij is hier nog nieuw.)
-
Ik vind deze (lekker) koffie niet zo (lekker).⇒ _______________________________________________ ExampleIk vind deze lekkere koffie niet zo lekker.(Ik vind deze lekkere koffie niet zo lekker.)
-
Wat (aardig) van je! Dat is een (aardig) idee.⇒ _______________________________________________ ExampleWat aardig van je! Dat is een aardig idee.(Wat aardig van je! Dat is een aardig idee.)
Wenden Sie diese Grammatik bei echten Gesprächen an!
Diese Grammatikübungen sind Teil unserer Konversationskurse. Finde einen Lehrer und übe dieses Thema in echten Gesprächen!
- Implementiert CEFR, DELE-Prüfung und Richtlinien des Cervantes-Instituts
- Unterstützt von der Universität Siegen
Geschrieben von
Dieser Inhalt wurde vom pädagogischen Team von coLanguage entworfen und überprüft. Über coLanguage