Aggettivo con o senza e

Bijvoeglijk naamwoord met of zonder -e


Een bijvoeglijk naamwoord krijgt vaak een -e, maar niet altijd.

(Un bijvoeglijk naamwoord spesso prende una -e, ma non sempre.)

Quando l’aggettivo prende -e (e quando no)

In olandese l’aggettivo (bijvoeglijk naamwoord) sta spesso prima del sostantivo. La domanda chiave è:

  • Sto descrivendo un nome (prima del sostantivo)? → di solito +e
  • Sto dicendo “è/diventa …” (dopo zijn/worden)? → di solito senza -e

Regola rapida: “de/het/een” decide la forma

Struttura Aggettivo Esempio corretto
de + sostantivo (singolare) +e de snelle trein
het + sostantivo (singolare) +e het dikke boek
de + sostantivo (plurale) +e de mooie huizen
een + de-woord +e een nieuwe auto
een + het-woord senza -e een dik boek

Dimostrativi e possessivi: quasi sempre +e

Con questi “starter” l’aggettivo davanti al nome prende quasi sempre -e:

  • deze/die (per de-woorden): deze brede weg
  • dit/dat (per het-woorden): dit schattige kind, dat leuke boek
  • mijn/jouw/onze/zijn/haar…: mijn nieuwe laptop, ons kleine probleem

Tip: qui non devi pensare a “een/de/het”: vedi il dimostrativo/possessivo → metti -e.

Dopo zijn/worden: aggettivo senza -e

Quando l’aggettivo descrive il soggetto dopo il verbo (come “è / diventa”), non “attacca” un sostantivo. Quindi:

  • Hij wordt groot. (non: grote)
  • Ik ben erg ziek. (non: zieke)
  • Het verkeer is druk. (non: drukke)

Errore tipico (italiani): “een” non significa sempre “senza -e”

In italiano l’aggettivo cambia per genere/numero; in olandese la scelta è diversa. Il punto critico è een + het-woord.

Situazione Corretto Non corretto
een + de-woord een snelle trein een snel trein
een + het-woord een goedkoop treinkaartje een goedkope treinkaartje

Mini-checklist in 10 secondi

  1. L’aggettivo è davanti a un sostantivo?
    • No → (dopo zijn/worden) senza -e.
    • Sì → vai al punto 2.
  2. C’è deze/dit/die/dat o un possessivo (mijn, jouw, onze…)?
    • Sì → +e.
    • No → vai al punto 3.
  3. Quale articolo c’è?
    • de/het+e.
    • eende-woord = +e, het-woord = senza -e.

Due esempi “da ufficio” (modello mentale)

  • Prima del nome: Ik heb een nieuwe collega. / We zoeken een rustig hotel.
  • Dopo zijn/worden: Mijn collega is nog nieuw. / Het wordt druk op de weg.
  1. Gli aggettivi spesso stanno prima del sostantivo.
  2. L’aggettivo di solito prende una -e.
Woordeinde (desinenza)  Voorbeeld (esempio)
+eEnkelvoud (singolare)de
het
de grote hond (il cane grande)
het dikke boek (il libro spesso)
Meervoud (plurale)dede mooie huizen (le belle case)
Met 'een'de-woorden (parole con de)een grote hond (un cane grande)
 deze, dit, die, dat + bijvoeglijk naamwoord (deze, dit, die, dat + aggettivo)deze grote auto (questa auto grande)
dit schattige kind (questo bambino carino)
dat leuke boek (quel bel libro)
 bezittelijk voornaamwoord + bijvoeglijk naamwoord (pronome possessivo + aggettivo)mijn nieuwe auto (la mia auto nuova)
jouw oude huis (la tua casa vecchia)
onze mooie auto (la nostra bella auto)
-Met 'een'het-woorden (parole con het)een dik boek (un libro spesso)
 Zijn + worden (zijn + worden)Hij wordt groot. (Lui diventa grande.)
Ik ben erg ziek. (Io sono molto malato.)
 Een zelfstandig bijvoeglijk naamwoord na "wat" (un aggettivo usato come sostantivo dopo "wat")Wat lief van je! (Che carino da parte tua!)
Wat goed! (Che bravo!)

Esercizio 1: Scelta multipla

Istruzione: Scegli la risposta corretta

1. Ik heb een nieuwe elektrische ___ gekocht voor mijn dagelijkse rit naar kantoor.

Ik heb een nieuwe elektrische ___ gekocht voor mijn dagelijkse rit naar kantoor.

2. In deze ___ zone mogen alleen stille elektrische auto’s parkeren.

In deze ___ zone mogen alleen stille elektrische autos parkeren.

3. Mijn vaste ___ naar het werk is kort, maar ik neem toch graag de snelle trein.

Mijn vaste ___ naar het werk is kort, maar ik neem toch graag de snelle trein.

4. Voor een lang weekend koop ik altijd een ___ treinkaartje.

Voor een lang weekend koop ik altijd een ___ treinkaartje.

Esercizio 2: Scelta multipla

Istruzione: Scegli la frase corretta con l'uso giusto dell'aggettivo con o senza -e, adatto al contesto dei trasporti quotidiani.

1.
Con un de-woord l'aggettivo deve avere la -e: 'veloce' e non 'veloc'.
Dopo 'un' l'aggettivo di un de-woord deve anch'esso avere la -e: 'veloce', non 'veloce'.
2.
Senza articolo l'aggettivo in un de-woord deve anch'esso avere la -e, ma qui manca l'articolo, quindi la frase suona incompleta.
Dopo 'una' in un de-woord l'aggettivo deve avere la -e: 'nuova', non 'nuovo'.

Esercizio 3: Riscrivi le frasi

Istruzione: Riscrivi le frasi e usa l'aggettivo con la desinenza corretta (-e oppure senza -e). Fai attenzione all'articolo (de/het/een), a questo/quello/questi/quelli e ai verbi zijn/worden.

Mostra/Nascondi traduzione Mostra/Nascondi suggerimenti
  1. Ik koop een (nieuw) laptop.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Esempio
    Ik koop een nieuwe laptop.
    (Ik koop een nieuwe laptop.)
  2. Wij zoeken een (goed) restaurant. Het restaurant is niet zo duur.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Esempio
    Wij zoeken een goed restaurant. Het restaurant is niet zo duur.
    (Wij zoeken een goed restaurant. Het restaurant is niet zo duur.)
  3. Dat is een (mooi) huis. Het huis is heel (mooi).
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Esempio
    Dat is een mooi huis. Het huis is heel mooi.
    (Dat is een mooi huis. Het huis is heel mooi.)
  4. Mijn (nieuw) collega komt morgen. Hij is nog (nieuw) hier.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Esempio
    Mijn nieuwe collega komt morgen. Hij is hier nog nieuw.
    (Mijn nieuwe collega komt morgen. Hij is hier nog nieuw.)

Esercizio 4: La grammatica in azione

Istruzione: Scegliete insieme il mezzo di trasporto più sostenibile e spiegate la vostra scelta.

Mostra/Nascondi traduzione
Situazione
Je bespreekt met een collega dagelijks vervoer naar het nieuwe kantoor.
(Discuti con un collega del tragitto giornaliero verso il nuovo ufficio.)

Discutere
  • Welk vervoermiddel vind jij het meest duurzaam en waarom? (Quale mezzo di trasporto ritieni più sostenibile e perché?)
  • Welke voordelen heeft het openbaar vervoer in jouw stad? Noem 2 voorbeelden. (Quali vantaggi ha il trasporto pubblico nella tua città? Fai due esempi.)

Parole e frasi utili
  • de elektrische auto (l'auto elettrica)
  • het openbaar vervoer (il trasporto pubblico)
  • de groene zone, duurzaam vervoer (la zona verde, trasporto sostenibile)

Usare in conversazione
  • de/het + bijvoeglijk naamwoord met -e (de groene zone, het drukke verkeer) (de/het + aggettivo con -e (de groene zone, het drukke verkeer))
  • een + bijvoeglijk naamwoord zonder -e bij het-woorden (een klein probleem) (een + aggettivo senza -e con i sostantivi het (een klein probleem))
  • zijn/worden + bijvoeglijk naamwoord zonder -e (het is duur, het wordt makkelijk) (zijn/worden + aggettivo senza -e (het is duur, het wordt makkelijk))

Scritto da

Questo contenuto è stato progettato e revisionato dal team pedagogico di coLanguage. Chi siamo

Profile Picture

Kato De Paepe

Business e lingue

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Ultimo aggiornamento:

Mercoledì, 25/03/2026 08:25