Een bijvoeglijk naamwoord krijgt vaak een -e, maar niet altijd.
- Bijvoeglijke naamwoorden staan vaak vóór het zelfstandige naamwoord.
- Het bijvoeglijk naamwoord krijgt meestal een -e.
| Woordeinde | Voorbeeld | ||
|---|---|---|---|
| +e | Enkelvoud | de het | de grote hond (de grote hond) het dikke boek (het dikke boek) |
| Meervoud | de | de mooie huizen (de mooie huizen) | |
| Met 'een' | de-woorden | een grote hond (een grote hond) | |
| deze, dit, die, dat + bijvoeglijk naamwoord | deze grote auto (deze grote auto) dit schattige kind (dit schattige kind) dat leuke boek (dat leuke boek) | ||
| bezittelijk voornaamwoord + bijvoeglijk naamwoord | mijn nieuwe auto (mijn nieuwe auto) jouw oude huis (jouw oude huis) onze mooie auto (onze mooie auto) | ||
| - | Met 'een' | het-woorden | een dik boek (een dik boek) |
| Zijn + worden | Hij wordt groot. (Hij wordt groot.) Ik ben erg ziek. (Ik ben erg ziek.) | ||
| Een zelfstandig bijvoeglijk naamwoord na "wat" | Wat lief van je! (Wat lief van je!) Wat goed! (Wat goed!) |
Oefening 1: Bijvoeglijk naamwoord met of zonder -e
Instructie: Vul het juiste woord in.
duurzaam, grote, elektrische, aardig, lange, mooi, gevaarlijke, favoriete
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de correcte zin met het juiste gebruik van het bijvoeglijk naamwoord, met of zonder -e, passend bij de context van dagelijks vervoer.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen en gebruik het bijvoeglijk naamwoord met de juiste uitgang (-e of geen -e). Let op het lidwoord (de/het/een), deze/dat/deze/die en de werkwoorden zijn/worden.
-
Ik koop een (nieuw) laptop.
-
Wij zoeken een (goed) restaurant. Het restaurant is niet zo duur.⇒ _______________________________________________ ExampleWij zoeken een goed restaurant. Het restaurant is niet zo duur.
-
Dat is een (mooi) huis. Het huis is heel (mooi).⇒ _______________________________________________ ExampleDat is een mooi huis. Het huis is heel mooi.
-
Mijn (nieuw) collega komt morgen. Hij is nog (nieuw) hier.⇒ _______________________________________________ ExampleMijn nieuwe collega komt morgen. Hij is hier nog nieuw.
-
Ik vind deze (lekker) koffie niet zo (lekker).⇒ _______________________________________________ ExampleIk vind deze lekkere koffie niet zo lekker.
-
Wat (aardig) van je! Dat is een (aardig) idee.⇒ _______________________________________________ ExampleWat aardig van je! Dat is een aardig idee.