Modale werkwoorden zoals moeten, kunnen en mogen geven verplichtingen, mogelijkheden en toestemmingen aan.
(Modalverben wie
- Moeten drückt Verpflichtungen aus, wie in 'Je moet op tijd komen'.
- Kunnen wird für Möglichkeiten oder Fähigkeiten verwendet, wie in 'Ik kan koken'.
- Mogen drückt Erlaubnis oder Verbot aus, wie in 'Je mag hier niet roken'.
| Persoon (Person) | Moeten (müssen) | Kunnen (können) | Mogen (dürfen) |
|---|---|---|---|
| Ik | moet | kan | mag |
| Jij | moet | kan | mag |
| Hij/Zij/Het | moet | kan | mag |
| Wij | moeten | kunnen | mogen |
| Jullie | moeten | kunnen | mogen |
| Zij | moeten | kunnen | mogen |
Übung 1: Mehrfachauswahl
Anleitung: Wähle die richtige Antwort
1. Wij ___ de ingrediënten eerst wegen voordat we gaan bakken.
Wir ___ die Zutaten zuerst wiegen, bevor wir mit dem Backen beginnen.)2. Jij ___ vandaag de slagroom draaien; ik doe de boter en de suiker.
Du ___ heute die Schlagsahne schlagen; ich übernehme Butter und Zucker.)3. In dit recept ___ je het zout weglaten als je wilt.
In diesem Rezept ___ du das Salz weglassen, wenn du möchtest.)4. Jullie ___ het recept goed lezen voordat jullie beginnen met snijden.
Ihr ___ das Rezept gut lesen, bevor ihr mit dem Schneiden anfangt.)Übung 2: Umschreiben Sie die Ausdrücke
Anleitung: Schreibe die Sätze mit dem richtigen Modalverb um: müssen, können oder dürfen (achte auf die Person).
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIk moet morgen thuiswerken; mijn baas zegt dat.(Ik moet morgen thuiswerken; mijn baas sagt das.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleWij kunnen samen lunchen.(Wir können zusammen zu Mittag essen.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleJe mag hier met je mobiel bellen.(Du darfst hier mit deinem Handy telefonieren.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleJe mag hier niet in het kantoor eten.(Du darfst hier nicht im Büro essen.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleHij moet Nederlands spreken met de klanten.(Er muss mit den Kunden Niederländisch sprechen.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleJullie kunnen na het werk nog gaan sporten.(Ihr könnt nach der Arbeit noch Sport treiben.)
Übung 3: Grammatik in Aktion
Anleitung: Besprecht welches Gericht ihr zubereitet und wer welche Aufgaben übernehmen muss.
- Welk huisgemaakt gerecht willen jullie maken en waarom? (Welches selbstgemachte Gericht möchtet ihr zubereiten und warum?)
- Welke ingrediënten moeten jullie kopen en hoeveel ongeveer? (gram/kilogram) (Welche Zutaten müsst ihr kaufen und wie viel ungefähr? (Gramm/Kilogramm))
- Ik moet de ingrediënten wegen en mengen. (Ik moet de ingrediënten wegen en mengen.)
- Jij kan de boter snijden en het beslag omdraaien. (Jij kan de boter snijden en het beslag omdraaien.)
- We mogen de slagroom niet te stijf kloppen. (We mogen de slagroom niet te stijf kloppen.)
- Ik moet… (Ik moet…)
- Ik kan… (Ik kan…)
- Ik mag… (Ik mag…)