A1.17.2 - Modale werkwoorden (moeten, kunnen, mogen)
Modale werkwoorden (moeten, kunnen, mogen)
Modale werkwoorden zoals moeten, kunnen en mogen geven verplichtingen, mogelijkheden en toestemmingen aan.
- Moeten geeft verplichtingen aan, zoals bij 'Je moet op tijd komen'.
- Kunnen wordt gebruikt voor mogelijkheden of vaardigheden, zoals 'Ik kan koken'.
- Mogen geeft toestemming of verbod aan, zoals 'Je mag hier niet roken' .
| Persoon | Moeten | Kunnen | Mogen |
|---|---|---|---|
| Ik | moet | kan | mag |
| Jij | moet | kan | mag |
| Hij/Zij/Het | moet | kan | mag |
| Wij | moeten | kunnen | mogen |
| Jullie | moeten | kunnen | mogen |
| Zij | moeten | kunnen | mogen |
Oefening 1: Modale werkwoorden (moeten, kunnen, mogen)
Instructie: Vul het juiste woord in.
kan, mogen, moet, mag
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies het juiste antwoord
1. Wij ___ de ingrediënten eerst wegen voordat we gaan bakken.
2. Jij ___ vandaag de slagroom draaien; ik doe de boter en de suiker.
3. In dit recept ___ je het zout weglaten als je wilt.
4. Jullie ___ het recept goed lezen voordat jullie beginnen met snijden.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen met het juiste modale werkwoord: moeten, kunnen of mogen (let op de persoon).
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIk moet morgen thuiswerken; mijn baas zegt dat.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleHij moet Nederlands spreken met de klanten.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleJullie kunnen na het werk nog gaan sporten.
Pas deze grammatica toe tijdens echte gesprekken!
Deze grammatica-oefeningen maken deel uit van onze conversatiecursussen. Vind een leraar en oefen dit onderwerp tijdens echte gesprekken!
- Implementeert ERK-, DELE-examen en Cervantes-richtlijnen
- Ondersteund door de universiteit van Siegen
Geschreven door
Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage