Modale werkwoorden: moeten, kunnen, mogen
In deze les leer je over de modale werkwoorden moeten, kunnen en mogen. Deze werkwoorden zijn essentieel om verplichtingen, mogelijkheden en toestemmingen uit te drukken in het Nederlands.
Wat zijn modale werkwoorden?
Modale werkwoorden geven specifieke betekenissen aan het hoofdwerkwoord in de zin. Ze worden gebruikt om wensen, verplichtingen of mogelijkheden aan te geven.
Overzicht van modale werkwoorden
- Moeten: drukt een verplichting of noodzaak uit. Bijvoorbeeld: Je moet op tijd komen.
- Kunnen: drukt vermogen of mogelijkheid uit. Bijvoorbeeld: Ik kan koken.
- Mogen: geeft toestemming of een verbod aan. Bijvoorbeeld: Je mag hier niet roken.
Vervoeging van de modale werkwoorden
De vervoegingen van moeten, kunnen en mogen zijn regelmatig en afhankelijk van het onderwerp:
Persoon | Moeten | Kunnen | Mogen |
---|
Ik | moet | kan | mag |
Jij | moet | kan | mag |
Hij/Zij/Het | moet | kan | mag |
Wij | moeten | kunnen | mogen |
Jullie | moeten | kunnen | mogen |
Zij | moeten | kunnen | mogen |
Belangrijke voorbeelden
- Je moet altijd een schort dragen tijdens het koken. (verplichting)
- Wij kunnen dit recept makkelijk maken. (mogelijkheid)
- Je mag hier niet eten. (toestemming/verbod)
- Ik moet de oven voorverwarmen voor het bakken. (verplichting)
- Jij kunt goed koekjes bakken. (vaardigheid)
- We mogen hier alleen groenten snijden. (toestemming)
Opmerkingen over het gebruik in het Nederlands
In vergelijking met andere talen, zoals Engels of Frans, wordt in het Nederlands vaak een eenvoudige hoofdwerkwoordsvorm met een modaal werkwoord gebruikt om de betekenis van noodzaak, mogelijkheid of toestemming uit te drukken. Er zijn geen aparte vormen voor de gebiedende wijs met modale werkwoorden; in plaats daarvan gebruik je meestal de normale vervoeging.
Enkele nuttige uitdrukkingen zijn bijvoorbeeld:
- Moeten: Ik moet studeren. (verplichting)
- Kunnen: Hij kan zwemmen. (vermogen)
- Mogen: Mag ik naar het toilet? (om toestemming vragen)
Let op dat kunnen in de tweede persoon enkelvoud ook vervoegd wordt als kunt, bijvoorbeeld: Jij kunt dat doen.