Modale werkwoorden zoals moeten, kunnen en mogen geven verplichtingen, mogelijkheden en toestemmingen aan.

(Czasowniki modalne takie jak moeten, kunnen i mogen wskazują obowiązki, możliwości oraz pozwolenia.)

  1. Moeten wskazuje na obowiązki, tak jak w zdaniu 'Je moet op tijd komen'.
  2. Kunnen jest używane do wyrażania możliwości lub umiejętności, takich jak 'Ik kan koken'.
  3. Mogen wyraża pozwolenie lub zakaz, na przykład „Je mag hier niet roken”.
PersoonMoetenKunnenMogen
Ikmoet (muszę)kan (mogę)mag (mam pozwolenie)
Jijmoet (musisz)kan (możesz)mag (masz pozwolenie)
Hij/Zij/Hetmoet (musi)kan (może)mag (ma pozwolenie)
Wijmoeten (musimy)kunnen (możemy)mogen (mamy pozwolenie)
Julliemoeten (musicie)kunnen (możecie)mogen (macie pozwolenie)
Zijmoeten (muszą)kunnen (mogą)mogen (mają pozwolenie)

Ćwiczenie 1: Czasowniki modalne (moeten, kunnen, mogen)

Instrukcja: Wstaw poprawne słowo.

Pokaż tłumaczenie Pokaż odpowiedzi

kan, mogen, moet, mag

1.
Je ... op tijd op school zijn.
(Musisz być na czas w szkole.)
2.
Hij ... elke dag om 7 uur opstaan.
(On musi wstawać codziennie o 7 rano.)
3.
Ik ... goed dansen.
(Potrafię dobrze tańczyć.)
4.
Jullie ... niet vergeten de olie toe te voegen.
(Nie możecie zapomnieć o dodaniu oleju.)
5.
Hij ... vandaag niet naar de les komen.
(On nie może dziś przyjść na lekcję.)
6.
Je ... de boter smelten voor het recept.
(Musisz roztopić masło na przepis.)
7.
Je ... niet roken in het restaurant.
(Nie wolno palić w restauracji.)

Ćwiczenie 2: Wielokrotny wybór

Instrukcja: Wybierz poprawną odpowiedź

1. Wij ___ de ingrediënten eerst wegen voordat we gaan bakken.

Wij ___ de ingrediënten eerst wegen voordat we gaan bakken.)

2. Jij ___ vandaag de slagroom draaien; ik doe de boter en de suiker.

Jij ___ vandaag de slagroom draaien; ik doe de boter en de suiker.)

3. In dit recept ___ je het zout weglaten als je wilt.

In dit recept ___ je het zout weglaten als je wilt.)

4. Jullie ___ het recept goed lezen voordat jullie beginnen met snijden.

Jullie ___ het recept goed lezen voordat jullie beginnen met snijden.)

Ćwiczenie 3: Przepisz zwroty

Instrukcja: Przepisz zdania, używając odpowiedniego czasownika modalnego: moeten (musieć), kunnen (móc) lub mogen (mieć pozwolenie) (zwróć uwagę na osobę).

Pokaż/Ukryj tłumaczenie Pokaż/Ukryj podpowiedzi
  1. Wskazówka Wskazówka (moeten) Ik werk morgen thuis. Het is verplicht van mijn baas.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik moet morgen thuiswerken; mijn baas zegt dat.
    (Ik moet morgen thuiswerken; mijn baas tak mówi.)
  2. Wskazówka Wskazówka (kunnen) Wij hebben tijd. Het is mogelijk om samen te lunchen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij kunnen samen lunchen.
    (Wij kunnen samen lunchen.)
  3. Wskazówka Wskazówka (mogen) Hier is het toegestaan om te bellen met je mobiel.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Je mag hier met je mobiel bellen.
    (Je mag hier met je mobiel bellen.)
  4. Wskazówka Wskazówka (mogen) Het is niet toegestaan om in dit kantoor te eten.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Je mag hier niet in het kantoor eten.
    (Je mag hier niet in het kantoor eten.)
  5. Wskazówka Wskazówka (moeten) Het is verplicht: hij spreekt Nederlands met de klanten.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hij moet Nederlands spreken met de klanten.
    (Hij moet Nederlands spreken met de klanten.)
  6. Wskazówka Wskazówka (kunnen) Het is een optie: jullie gaan na het werk nog sporten.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Jullie kunnen na het werk nog gaan sporten.
    (Jullie kunnen na het werk nog gaan sporten.)

Napisane przez

Ta treść została zaprojektowana i sprawdzona przez zespół pedagogiczny coLanguage. O coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Biznes i języki

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Ostatnia aktualizacja:

środa, 07/01/2026 05:00