Modale werkwoorden zoals moeten, kunnen en mogen geven verplichtingen, mogelijkheden en toestemmingen aan.

(Les verbes modaux comme moeten, kunnen et mogen indiquent des obligations, des possibilités et des permissions.)

1. À quoi servent moeten, kunnen et mogen ?

  • moeten = obligation, nécessité
    Je dois, il faut…
  • kunnen = possibilité, capacité
    Je peux, je sais faire…
  • mogen = autorisation, interdiction
    J’ai le droit, je n’ai pas le droit…

Ces trois verbes sont des verbes modaux : ils se combinent avec un autre verbe à l’infinitif.

Schéma de base : modal conjugué + … + verbe à l’infinitif (à la fin)

  • Ik moet morgen werken. = Je dois travailler demain.
  • Wij kunnen Nederlands spreken. = Nous pouvons parler néerlandais.
  • Je mag hier niet roken. = Tu n’as pas le droit de fumer ici.

2. Comment les conjuguer au présent ? (vue rapide)

Personne moeten kunnen mogen
ik moet kan mag
jij / je moet kan mag
hij / zij / het moet kan mag
wij moeten kunnen mogen
jullie moeten kunnen mogen
zij (pluriel) moeten kunnen mogen
  • Pour ik / jij / hij / zij / het : forme courte (moet, kan, mag).
  • Pour wij / jullie / zij : infinitif sans en final → moeten, kunnen, mogen.

Auto‑check rapide : Pouvez-vous dire sans hésiter :

  • ik moet, jij kan, hij mag, wij kunnen, zij mogen ?

3. Place du deuxième verbe : toujours à la fin

Un modal n’est presque jamais seul. Il est suivi d’un verbe à l’infinitif :

  • Ik moet werken.
  • Wij kunnen koken.
  • Je mag hier niet eten.

Règle clé : dans une phrase simple affirmatives, l’infinitif va à la fin de la phrase.

  • Ik moet morgen vroeg opstaan.
  • Wij kunnen vanavond thuis blijven.
  • Je mag in het kantoor niet bellen.

Faux :

  • *Ik moet werken morgen.

Correct :

  • Ik moet morgen werken.

4. Quand choisir moeten ? Obligation et nécessité

  • Règle, loi, consigne
    Je moet een helm dragen.
    = Tu dois porter un casque.
  • Obligation personnelle (travail, rendez‑vous, responsabilité)
    Ik moet om negen uur beginnen.
    = Je dois commencer à 9 h.
  • Conseil fort (il faut vraiment le faire)
    Je moet meer Nederlands spreken.
    = Tu dois parler plus néerlandais.

Nuance utile :

  • Ik moet werken. = obligation externe (mon employeur, la situation).
  • Ik wil werken. = envie personnelle (autre verbe, pas modal ici dans la leçon).

5. Quand choisir kunnen ? Capacité et possibilité

  • Capacité, compétence
    Ik kan goed koken.
    = Je sais bien cuisiner.
  • Possibilité pratique (temps, situation)
    Wij kunnen morgen afspreken.
    = Nous pouvons nous voir demain.
  • Solution possible
    Je kunt de suiker weglaten.
    = Tu peux enlever le sucre (c’est une option).

Attention francophone :

  • En français, « je peux » = autorisation ou capacité.
  • En néerlandais, on sépare :
    kunnen = pouvoir / savoir faire
    mogen = avoir le droit

6. Quand choisir mogen ? Autorisation et interdiction

  • Autorisation
    Je mag hier parkeren.
    = Tu as le droit de te garer ici.
  • Interdiction (avec niet)
    Je mag hier niet roken.
    = Tu n’as pas le droit de fumer ici.
  • Règles dans un lieu
    Studenten mogen in de klas niet eten.
    = Les étudiants n’ont pas le droit de manger en classe.

Mini‑test mental :

  • Règle / obligation → pensez d’abord : moeten
  • Capacité / possibilité → pensez : kunnen
  • Permission / interdiction → pensez : mogen

7. Ordre des mots avec négation (niet) et compléments

Avec un modal, la négation niet vient avant l’infinitif final.

  • Je mag hier niet roken.
  • Ik kan vandaag niet komen.
  • Wij moeten nu niet koken.

Avec un complément, la structure reste la même :

  • Ik moet morgen vroeg opstaan.
    → temps (morgen vroeg) avant l’infinitif.
  • Je kunt in het weekend thuis blijven.
  • We mogen in dit gebouw niet eten.

8. Erreurs typiques des francophones : à surveiller

  • Confondre « pouvoir » français
    – Autorisation : Je peux partir ?Mag ik weg?
    – Capacité : Je peux conduire.Ik kan rijden.
  • Oublier le verbe à l’infinitif
    *Ik moet morgen.Ik moet morgen werken.
  • Mettre l’infinitif trop tôt
    *Ik kan spreken Nederlands.
    Ik kan Nederlands spreken.
  • Traduire « il faut » toujours par er is ou autre
    Il faut ranger la cuisine.
    We moeten de keuken opruimen. (et non pas avec er is)

9. Auto‑check : est‑ce que je maîtrise l’essentiel ?

  1. Pouvez‑vous conjuguer à l’oral, sans regarder, les formes :
    ik / jij / hij / wij / jullie / zij pour moeten, kunnen, mogen ?
  2. Pouvez‑vous compléter mentalement :
    • Ik ___ morgen vroeg opstaan. (obligation)
    • Wij ___ goed Engels spreken. (capacité)
    • Je ___ hier niet bellen. (interdiction)
  3. Pouvez‑vous former des phrases complètes en mettant l’infinitif à la fin, par exemple :
    • « Je dois cuisiner ce soir » → Ik moet vanavond koken.
    • « Nous pouvons déjeuner dehors » → Wij kunnen buiten lunchen.
    • « Tu n’as pas le droit de boire ici » → Je mag hier niet drinken.

Si vous pouvez répondre à ces questions sans hésitation, vous êtes prêt·e à utiliser moeten, kunnen et mogen spontanément en conversation.

  1. Moeten indique une obligation, comme dans 'Je moet op tijd komen'.
  2. Kunnen s’emploie pour parler de possibilités ou de capacités, comme dans 'Ik kan koken'.
  3. Mogen exprime la permission ou l’interdiction, comme dans 'Je mag hier niet roken'.
Persoon (Personne)Moeten (Devoir)Kunnen (Pouvoir / savoir faire)Mogen (Pouvoir / avoir la permission)
Ikmoetkanmag
Jijmoetkanmag
Hij/Zij/Hetmoetkanmag
Wijmoetenkunnenmogen
Julliemoetenkunnenmogen
Zijmoetenkunnenmogen

Exercice 1: Choix multiple

Instruction: Choisissez la bonne réponse

1. Wij ___ de ingrediënten eerst wegen voordat we gaan bakken.

Nous ___ d'abord peser les ingrédients avant de commencer la cuisson.)

2. Jij ___ vandaag de slagroom draaien; ik doe de boter en de suiker.

Aujourd'hui, tu ___ monter la crème ; je m'occupe du beurre et du sucre.)

3. In dit recept ___ je het zout weglaten als je wilt.

Dans cette recette ___ tu peux omettre le sel si tu le souhaites.)

4. Jullie ___ het recept goed lezen voordat jullie beginnen met snijden.

Vous ___ lire la recette attentivement avant de commencer à couper.)

Exercice 2: Réécrivez les phrases

Instruction: Réécrivez les phrases avec le verbe modal correct : devoir, pouvoir ou avoir le droit (faites attention à la personne).

Afficher/Masquer la traduction Afficher/masquer les indices
  1. Indice Indice (moeten) Ik werk morgen thuis. Het is verplicht van mijn baas.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik moet morgen thuiswerken; mijn baas zegt dat.
    (Ik moet morgen thuiswerken ; mon patron l'exige.)
  2. Indice Indice (kunnen) Wij hebben tijd. Het is mogelijk om samen te lunchen.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij kunnen samen lunchen.
    (Wij kunnen samen lunchen.)
  3. Indice Indice (mogen) Hier is het toegestaan om te bellen met je mobiel.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Je mag hier met je mobiel bellen.
    (Je mag hier met je mobiel bellen.)
  4. Indice Indice (mogen) Het is niet toegestaan om in dit kantoor te eten.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Je mag hier niet in het kantoor eten.
    (Je mag hier niet in het kantoor eten.)
  5. Indice Indice (moeten) Het is verplicht: hij spreekt Nederlands met de klanten.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Hij moet Nederlands spreken met de klanten.
    (Hij moet Nederlands spreken met de klanten.)
  6. Indice Indice (kunnen) Het is een optie: jullie gaan na het werk nog sporten.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Jullie kunnen na het werk nog gaan sporten.
    (Jullie kunnen na het werk nog gaan sporten.)

Exercice 3: Grammaire en action

Instruction: Discutez du plat que vous allez préparer et qui doit faire quelle tâche.

Afficher/Masquer la traduction
Situation
Je organiseert met collega’s een huisgemaakte lunch en kiest samen een recept.
(Vous organisez avec des collègues un déjeuner maison et choisissez ensemble une recette.)

Discuter
  • Welk huisgemaakt gerecht willen jullie maken en waarom? (Quel plat fait maison voulez-vous préparer et pourquoi ?)
  • Welke ingrediënten moeten jullie kopen en hoeveel ongeveer? (gram/kilogram) (Quels ingrédients devez-vous acheter et en quelle quantité approximative ? (grammes/kilogrammes))

Mots et expressions utiles
  • Ik moet de ingrediënten wegen en mengen. (Je dois peser et mélanger les ingrédients.)
  • Jij kan de boter snijden en het beslag omdraaien. (Tu peux couper le beurre et retourner la pâte.)
  • We mogen de slagroom niet te stijf kloppen. (On ne doit pas monter la crème trop fermement.)

Utilisation en conversation
  • Ik moet… (Je dois…)
  • Ik kan… (Je peux…)
  • Ik mag… (Je peux (avoir la permission) de…)

écrit par

Ce contenu a été conçu et révisé par l'équipe pédagogique de coLanguage. À propos de coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Affaires et langues

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Dernière mise à jour :

Mercredi, 18/02/2026 17:31