Modale werkwoorden zoals moeten, kunnen en mogen geven verplichtingen, mogelijkheden en toestemmingen aan.
(I verbi modali come
- Moeten indica obblighi, come in 'Je moet op tijd komen'.
- Kunnen si usa per possibilità o capacità, come in 'Ik kan koken'.
- Mogen indica permesso o divieto, come in 'Je mag hier niet roken'.
| Persoon (Persona) | Moeten (Dovere) | Kunnen (Potere/essere in grado) | Mogen (Potere/avere il permesso) |
|---|---|---|---|
| Ik | moet | kan | mag |
| Jij | moet | kan | mag |
| Hij/Zij/Het | moet | kan | mag |
| Wij | moeten | kunnen | mogen |
| Jullie | moeten | kunnen | mogen |
| Zij | moeten | kunnen | mogen |
Esercizio 1: Scelta multipla
Istruzione: Scegli la risposta corretta
1. Wij ___ de ingrediënten eerst wegen voordat we gaan bakken.