A1.17.2 - Verbi modali (moeten, kunnen, mogen)
Modale werkwoorden (moeten, kunnen, mogen)
Modale werkwoorden zoals moeten, kunnen en mogen geven verplichtingen, mogelijkheden en toestemmingen aan.
(I verbi modali come moeten, kunnen e mogen indicano obblighi, possibilità e permessi.)
- Moeten indica obblighi, come in 'Je moet op tijd komen'.
- Kunnen viene usato per possibilità o abilità, come 'Ik kan koken'.
- Mogen dà permesso o divieto, come 'Je mag hier niet roken'.
| Persoon (Persona) | Moeten (Dovere) | Kunnen (Potere/essere in grado) | Mogen (Permesso) |
|---|---|---|---|
| Ik | moet (devo) | kan (posso) | mag (mi è permesso) |
| Jij | moet (devi) | kan (puoi) | mag (ti è permesso) |
| Hij/Zij/Het | moet (deve) | kan (può) | mag (gli/le è permesso) |
| Wij | moeten (dobbiamo) | kunnen (possiamo) | mogen (ci è permesso) |
| Jullie | moeten (dovete) | kunnen (potete) | mogen (vi è permesso) |
| Zij | moeten (devono) | kunnen (possono) | mogen (loro è permesso) |
Esercizio 1: Verbi modali (moeten, kunnen, mogen)
Istruzione: Inserisci la parola corretta.
kan, mogen, moet, mag
1.
Je ... op tijd op school zijn.
(Devi arrivare a scuola in orario.)
2.
Hij ... elke dag om 7 uur opstaan.
(Deve alzarsi ogni giorno alle 7.)
3.
Ik ... goed dansen.
(So ballare bene.)
4.
Jullie ... niet vergeten de olie toe te voegen.
(Non dovete dimenticare di aggiungere l'olio.)
5.
Hij ... vandaag niet naar de les komen.
(Oggi non può venire a lezione.)
6.
Je ... de boter smelten voor het recept.
(Devi sciogliere il burro per la ricetta.)
7.
Je ... niet roken in het restaurant.
(Non è permesso fumare nel ristorante.)
Esercizio 2: Scelta multipla
Istruzione: Scegli la risposta corretta
1. Wij ___ de ingrediënten eerst wegen voordat we gaan bakken.