oegwoorden verbinden zinnen of woorden, zoals en, maar, als, dat, om en meer.
(Konjunktionen verbinden Sätze oder Wörter, wie
- Bei nebenordnenden Konjunktionen steht das Verb an zweiter Stelle.
- Bei unterordnenden Konjunktionen kommt das Verb ganz am Ende des Satzes.
| Categorie (Kategorie) | Voegwoorden (Konjunktionen) | Voorbeeldzin (Beispielsatz) |
|---|---|---|
| Nevenschikkende voegwoorden (Nebenordnende Konjunktionen) | en (und) maar (aber) of (oder) want (denn) | Ik ga met pensioen en ik geniet van mijn vrije tijd. Ik mag met pensioen, maar ik wil dit nog niet. Wil je straks naar het strand of zwembad? Ik ga met pensioen want ik heb lang gewerkt. |
| Onderschikkende voegwoorden (Unterordnende Konjunktionen) | als (wenn) dat (dass) of (ob) omdat (weil) | Wat ga je doen als je met pensioen bent? Ik hoop dat ik gauw op pensioen mag. Ik vraag hem of hij vrijwilligerswerk doet. Ik ga men pensioen omdat ik oud ben. |
| Voegwoorden (Konjunktionen) + te + infinitief (+ zu + Infinitiv) | om (um) zonder (ohne) | Piet gaat met pensioen om te rusten. Je kan niet met pensioen zonder een risico te nemen. |
Übung 1: Mehrfachauswahl
Anleitung: Wähle die richtige Antwort
1. Je kunt drie dagen per week werken ___ daarnaast vrijwilligerswerk doen.
Du kannst drei Tage pro Woche arbeiten ___ zusätzlich ehrenamtlich tätig sein.)2. Ik ga niet elke dag naar de stad, ___ ik vind het daar te druk.
Ich gehe nicht jeden Tag in die Stadt, ___ ich finde es dort zu voll.)3. We willen naar een kleiner huis verhuizen ___ we met pensioen zijn.
Wir wollen in ein kleineres Haus umziehen ___ wir in Rente sind.)4. Ik wil graag twee dagen per week helpen ___ na mijn pensioen iets nuttigs te doen.
Ich möchte gerne zwei Tage pro Woche mithelfen ___ nach meiner Pension etwas Sinnvolles zu tun.)Übung 2: Mehrfachauswahl
Anleitung: Wähle den korrekten Satz in Bezug auf nebenordnende und unterordnende Konjunktionen.
Übung 3: Umschreiben Sie die Ausdrücke
Anleitung: Formuliere die Sätze um. Verbinde die Sätze oder Satzteile mit der angegebenen Konjunktion (und, aber, oder, denn, wenn, dass, oder, weil, um, ohne) und passe die Wortfolge gegebenenfalls an.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIk wil met pensioen, maar ik werk nog steeds fulltime.(Ich möchte in Rente gehen, aber ich arbeite noch Vollzeit.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleGa je na je pensioen reizen of vrijwilligerswerk doen?(Wirst du nach deiner Rente reisen oder Freiwilligenarbeit leisten?)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIk ga minder werken, want ik wil meer tijd met mijn kleinkinderen doorbrengen.(Ich werde weniger arbeiten, denn ich möchte mehr Zeit mit meinen Enkeln verbringen.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIk stop met werken omdat ik 67 jaar ben.(Ich höre mit der Arbeit auf, weil ich 67 Jahre alt bin.)
Übung 4: Grammatik in Aktion
Anleitung: Führen Sie ein kurzes Gespräch und beschließen Sie gemeinsam einen Plan für die Zeit nach der Pensionierung.
- Wat ga je doen als je met pensioen bent en waarom? (Was wirst du tun, wenn du in Rente bist, und warum?)
- Wil je vrijwilligerswerk doen of meer vrije tijd hebben — wat kies je?','Welke mogelijkheden zie je, maar welke risico's vind je te groot?','Wat is een goed doel om van je pensioen te genieten en waarom?" (Möchtest du Freiwilligenarbeit leisten oder mehr Freizeit haben — was wählst du?)
- Ik beslis dat ik vrijwilligerswerk ga doen omdat ik mensen wil helpen. (Ich entscheide mich dafür, Freiwilligenarbeit zu leisten, weil ich Menschen helfen möchte.)
- Ik wil met pensioen gaan om meer van mijn vrije tijd te genieten. (Ich möchte in Rente gehen, um meine Freizeit mehr zu genießen.)
- Er is een risico als ik geen goede pensioenuitkering heb. (Es besteht ein Risiko, wenn ich keine ausreichende Rentenversorgung habe.)
- nevenschikkende voegwoorden: en, maar, of, want (nebenordnende Konjunktionen: und, aber, oder, denn)
- onderschikkende voegwoorden: als, dat, of, omdat (unterordnende Konjunktionen: wenn, dass, ob, weil)
- om / zonder + te + infinitief (um / ohne + zu + Infinitiv)