Starke Verben: Präteritum und Partizip II

Sterke werkwoorden: onvoltooid verleden tijd en voltooid deelwoord


Sterke werkwoorden veranderen van klank in de onvoltooid verleden tijd en voltooid deelwoord.

(Starke Verben ändern ihren Vokal im Präteritum und im Partizip Perfekt.)

Starke Verben: was ist hier „stark“?

In dieser Lektion übst du starke (unregelmäßige) Verben.

  • Stark bedeutet: Im Präteritum (O.V.T.) ändert sich oft der Vokal (Ablaut).
  • Das Partizip Perfekt (voltooid deelwoord) endet bei starken Verben oft auf -en.
  • Du kannst die Formen nicht „berechnen“ wie bei schwachen Verben – du brauchst die 3 Stammformen (Infinitiv – O.V.T. – Partizip).

Die 3 Formen: so nutzt du die Tabelle richtig

Form Wofür brauchst du sie? Beispiel
Infinitief Wörterbuchform / nach Modalverben ik wil gaan
O.V.T. (Präteritum) Erzählte Vergangenheit, oft mit Zeitwort „gisteren“, „vorige week“ gisteren ging ik naar de winkel
Voltooid deelwoord (Partizip Perfekt) Perfekt mit hebben oder zijn ik ben gegaan / ik heb het gekregen

O.V.T. (Präteritum): typische Vokalwechsel erkennen

Viele starke Verben ändern im Präteritum den Vokal. Das ist der wichtigste „Aha“-Punkt.

Infinitiv O.V.T. Merke (Vokal)
krijgen kreeg ij → ee
kiezen koos ie → oo
trekken trok e → o
vragen vroeg a → oe
doen deed oe → ee
gaan ging aa → i
houden hield ou → ie
komen kwam o → a
denken dacht e → a (+ -cht)
zeggen zei e → ei

Voltooid deelwoord: „ge-“ + … und oft „-en“

Beim Partizip Perfekt siehst du bei starken Verben häufig: ge- + Stamm + -en.

  • krijgen → gekregen (nicht: gekrijgd)
  • kiezen → gekozen
  • trekken → getrokken
  • gaan → gegaan
  • komen → gekomen
  • doen → gedaan, denken → gedacht, zeggen → gezegd (hier endet es nicht auf -en: auswendig lernen)

Perfekt: wann „hebben“ und wann „zijn“?

Die Form in der Tabelle (voltooid deelwoord) ist nur ein Teil. Dazu kommt das Hilfsverb.

  • sein = Bewegung/Ortswechsel: gaan, komen
    • ik ben naar de winkel gegaan
    • zij is laat gekomen
  • haben = die meisten anderen: krijgen, kiezen, trekken, vragen, doen, houden, denken, zeggen
    • ik heb een e-mail gekregen
    • we hebben een leverancier gekozen

Schneller Selbstcheck: welche Vergangenheit passt?

  1. Steht ein Zeitpunkt wie gisteren / vorige week? → oft O.V.T. in Erzählungen: „Gisteren ging ik …“
  2. Steht „heb/ben“ im Satz? → du brauchst das voltooid deelwoord: „Ik heb gekregen …“
  3. Bewegung von A nach B? → im Perfekt sehr oft zijn: „Ik ben gegaan …“
  4. Unsicher bei der Verbform? → in der Tabelle nachschauen: Infinitiv → O.V.T. oder Partizip.

Typische Fehler (und wie du sie vermeidest)

  • „-de/-te“ dranhängen: starke Verben bilden die O.V.T. meist nicht so.

    Gisteren kiesde ik …Gisteren koos ik …

  • Falsches Partizip:

    Ik heb het gekrijgd.Ik heb het gekregen.

  • Perfekt mit falschem Hilfsverb:

    Ik heb naar huis gegaan.Ik ben naar huis gegaan.

  • O.V.T. vs. Perfekt mischen:

    Gisteren heb ik naar de winkel ging.Gisteren ging ik naar de winkel. / Gisteren ben ik naar de winkel gegaan.

  1. Starke Verben sind Verben, die von den allgemeinen Konjugationsregeln abweichen.
  2. Starke Verben ändern den Vokal im Präteritum.
  3. Das Partizip Perfekt endet oft auf '-en' oder 'ge- + stam + en'.
Infinitief (Infinitiv)O.V.T. (Präteritum)Voltooid deelwoord (Partizip Perfekt)
Krijgen (bekommen)kreeg (bekam)gekregen (bekommen)
Kiezen (wählen)koos (wählte)gekozen (gewählt)
Trekken (ziehen)trok (zog)getrokken (gezogen)
Vragen (fragen)vroeg (fragte)gevraagd (gefragt)
Doen (tun)deed (tat)gedaan (getan)
Gaan (gehen)ging (ging)gegaan (gegangen)
Houden (halten)hield (hielt)gehouden (gehalten)
Komen (kommen)kwam (kam)gekomen (gekommen)
Denken (denken)dacht (dachte)gedacht (gedacht)
Zeggen (sagen)zei (sagte)gezegd (gesagt)

Übung 1: Mehrfachauswahl

Anleitung: Wähle die richtige Antwort

Ihre Korrekturen werden abgerufen... Bitte schließen Sie diese Seite noch nicht.

1. Gisteren ____ ik een nieuw merk T-shirt als cadeau.

Gestern ____ ich ein neues Marken-T-Shirt als Geschenk.

2. In de winkel heb ik een vintage jas gepast en uiteindelijk ____.

Im Laden habe ich eine Vintage-Jacke anprobiert und schließlich ____.

3. Vorige week ____ ik naar de paskamer om de outfit te passen.

Letzte Woche ____ ich in die Umkleidekabine, um das Outfit anzuprobieren.

4. De verkoopster ____ mij welke maat ik aanhad.

Die Verkäuferin ____ mich, welche Größe ich anhatte.

Übung 2: Schreibe die Sätze neu

Anleitung: Schreibe die Sätze im Präteritum um. Achte auf die starken Verben (z. B. gehen → ging).

Ihre Korrekturen werden abgerufen... Bitte schließen Sie diese Seite noch nicht.

Anzeigen/Übersetzung ausblenden Hinweise einblenden/ausblenden
  1. Ik krijg vandaag een e-mail van mijn manager.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Beispiel
    Ik kreeg vandaag een e-mail van mijn manager.
    (Ich bekam heute eine E-Mail von meinem Manager.)
  2. We kiezen een nieuwe leverancier voor de werkkleding.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Beispiel
    We kozen een nieuwe leverancier voor de werkkleding.
    (Wir wählten einen neuen Lieferanten für die Arbeitskleidung.)
  3. Hij trekt zijn nette jas aan voor de afspraak.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Beispiel
    Hij trok zijn nette jas aan voor de afspraak.
    (Er zog seinen schicken Mantel für den Termin an.)
  4. De klant vraagt om een andere maat.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Beispiel
    De klant vroeg om een andere maat.
    (Der Kunde fragte nach einer anderen Größe.)

Geschrieben von

Dieser Inhalt wurde vom pädagogischen Team von coLanguage entworfen und überprüft. Über coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Wirtschaft und Sprachen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Zuletzt aktualisiert:

Donnerstag, 07/05/2026 17:48