Gebruik 'de' en 'het' voor specifieke dingen en 'een' voor onbekende of willekeurige dingen. Bijvoorbeeld: 'de auto', 'een hond'.
(Use
- The article comes before the noun.
- Articles can be definite (de, het) or indefinite (een).
| Woordsoort | Lidwoord | |
|---|---|---|
| Enkelvoud (Singular) | De-woorden | De De tafel |
| Het-woorden | Het Het huis | |
| Meervoud (Plural) | Alle woorden (All words) | De De huizen |
| Onbepaald (Indefinite) | De-woorden | Een Een tafel |
| Het-woorden | Een Een huis |
Exceptions!
- Use 'De' with people, animals and most things, such as 'de jongen', 'de hond', 'de tafel'.
- Use 'Het' with diminutives and words that start with ‘ge-’, such as 'het huisje', 'het meisje', 'het geluid'.
- Some words you just have to learn, such as 'het boek' and 'de zon'.
Exercise 1: Multiple choice
Instruction: Choose the correct answer
1. Ik woon nu in Amsterdam, maar ik ben geboren in ___ dorp naast ___ stad.
I now live in Amsterdam, but I was born in ___ village next to ___ city.)2. Kopenhagen is ___ hoofdstad van Denemarken, en Nederlands is ___ taal in Nederland.
Copenhagen is ___ capital of Denmark, and Dutch is ___ language of the Netherlands.)3. Ik ben ___ Poolse man en mijn vrouw is ___ Nederlandse docent in onze cursus.
I am ___ Polish man and my wife is ___ Dutch teacher in our course.)4. In mijn klas zit ___ vrouw uit Portugal en ___ man naast haar komt uit Zweden.
In my class there is ___ woman from Portugal and ___ man beside her is from Sweden.)Exercise 2: Rewrite the phrases
Instruction: Rewrite the sentences and fill in the correct article (de, het or een).
-
Ik heb ___ afspraak om tien uur.⇒ _______________________________________________ ExampleIk heb een afspraak om tien uur.(I have an appointment at ten o'clock.)
-
___ collega komt uit Duitsland.⇒ _______________________________________________ ExampleDe collega komt uit Duitsland.(The colleague is from Germany.)
-
Wij zoeken ___ appartement in Amsterdam.⇒ _______________________________________________ ExampleWij zoeken een appartement in Amsterdam.(We are looking for an apartment in Amsterdam.)
-
___ manager zit in ___ vergaderruimte.⇒ _______________________________________________ ExampleDe manager zit in de vergaderruimte.(The manager is in the meeting room.)
-
Ik schrijf ___ e-mail naar ___ klant.⇒ _______________________________________________ ExampleIk schrijf een e-mail naar de klant.(I am writing an e-mail to the client.)
-
Op mijn bureau staat ___ laptop en naast mij staat ___ kast.⇒ _______________________________________________ ExampleOp mijn bureau staat een laptop en naast mij staat een kast.(There is a laptop on my desk and a cabinet next to me.)
Exercise 3: Grammar in action
Instruction: Have a short conversation and ask where the other person is from.
- Waar kom je vandaan? Noem land en nationaliteit. (Where are you from? Say the country and the nationality.)
- In welke stad ben je geboren en waar woon je nu? Vergelijk kort beide steden. (In which city were you born and where do you live now? Briefly compare the two cities.)
- Ik kom uit Nederland / België / Duitsland / Portugal / Spanje. (Ik kom uit Nederland / België / Duitsland / Portugal / Spanje.)
- Ik woon nu in de stad Amsterdam / Brussel / Zürich. (Ik woon nu in de stad Amsterdam / Brussel / Zürich.)
- De hoofdstad is … en de nationaliteit is de Nederlander / de Belg. (De hoofdstad is … en de nationaliteit is de Nederlander / de Belg.)
- de + (de-woorden) voor landen, steden en nationaliteiten (de + (de-words) for countries, cities and nationalities)
- het + (het-woorden) voor vaste uitdrukkingen: het land, het Verenigd Koninkrijk (het + (het-words) for fixed expressions: het land, het Verenigd Koninkrijk)
- een + onbepaald woord voor algemene voorbeelden, bijvoorbeeld een stad (een + an indefinite word for general examples, for example: a city)