A1.3.1 - Articoli determinativi e indeterminativi (de, het, een)
Bepaalde en onbepaalde lidwoorden (de, het, een)
Gebruik 'de' en 'het' voor specifieke dingen en 'een' voor onbekende of willekeurige dingen. Bijvoorbeeld: 'de auto', 'een hond'.
(Usa 'de' e 'het' per cose specifiche e 'een' per cose sconosciute o casuali. Ad esempio: 'de auto', 'een hond'.)
- L'articolo viene prima del sostantivo.
- Gli articoli possono essere determinativi (de, het) o indeterminativi (een).
| Woordsoort | Lidwoord | |
|---|---|---|
| Enkelvoud (Singolare) | De-woorden | De De tafel (Il tavolo) |
| Het-woorden | Het Het huis (La casa) | |
| Meervoud (Plurale) | Alle woorden (Tutte le parole) | De De huizen (Le case) |
| Onbepaald (Indeterminato) | De-woorden | Een Een tafel (Un tavolo) |
| Het-woorden | Een Een huis (Una casa) |
Eccezioni!
- Usi "de" con persone, animali e la maggior parte delle cose, come de jongen, de hond, de tafel.
- Usi het con i sostantivi diminutivi e con le parole che iniziano con «ge-», come het huisje, het meisje, het geluid.
- Alcune parole devi semplicemente impararle, come 'het boek' e 'de zon'.
Esercizio 1: Articoli determinativi e indeterminativi (de, het, een)
Istruzione: Inserisci la parola corretta.
het, de, een
Esercizio 2: Scelta multipla
Istruzione: Scegli la risposta corretta
1. Ik woon nu in Amsterdam, maar ik ben geboren in ___ dorp naast ___ stad.
Ik woon nu in Amsterdam, maar ik ben geboren in ___ dorp naast ___ stad.)2. Kopenhagen is ___ hoofdstad van Denemarken, en Nederlands is ___ taal in Nederland.
Kopenhagen is ___ hoofdstad van Denemarken, en Nederlands is ___ taal in Nederland.)3. Ik ben ___ Poolse man en mijn vrouw is ___ Nederlandse docent in onze cursus.
Ik ben ___ Poolse man en mijn vrouw is ___ Nederlandse docent in onze cursus.)4. In mijn klas zit ___ vrouw uit Portugal en ___ man naast haar komt uit Zweden.
In mijn klas zit ___ vrouw uit Portugal en ___ man naast haar komt uit Zweden.)Esercizio 3: Riscrivi le frasi
Istruzione: Riscrivi le frasi e inserisci l'articolo corretto (il, la o un).
-
Ik heb ___ afspraak om tien uur.⇒ _______________________________________________ ExampleIk heb een afspraak om tien uur.(Ik heb een afspraak om tien uur.)
-
___ collega komt uit Duitsland.⇒ _______________________________________________ ExampleDe collega komt uit Duitsland.(De collega komt uit Duitsland.)
-
Wij zoeken ___ appartement in Amsterdam.⇒ _______________________________________________ ExampleWij zoeken een appartement in Amsterdam.(Wij zoeken een appartement in Amsterdam.)
-
___ manager zit in ___ vergaderruimte.⇒ _______________________________________________ ExampleDe manager zit in de vergaderruimte.(De manager zit in de vergaderruimte.)
-
Ik schrijf ___ e-mail naar ___ klant.⇒ _______________________________________________ ExampleIk schrijf een e-mail naar de klant.(Ik schrijf een e-mail naar de klant.)
-
Op mijn bureau staat ___ laptop en naast mij staat ___ kast.⇒ _______________________________________________ ExampleOp mijn bureau staat een laptop en naast mij staat een kast.(Op mijn bureau staat een laptop en naast mij staat een kast.)
Applica questa grammatica durante le conversazioni reali!
Questi esercizi di grammatica fanno parte dei nostri corsi di conversazione. Trova un insegnante e pratica questo argomento durante conversazioni reali!
- Implementa CEFR, esame DELE e linee guida Cervantes
- Supportato dall'università di Siegen
Scritto da
Questo contenuto è stato progettato e revisionato dal team pedagogico di coLanguage. Chi siamo