Gebruik 'de' en 'het' voor specifieke dingen en 'een' voor onbekende of willekeurige dingen. Bijvoorbeeld: 'de auto', 'een hond'.

  1. Het lidwoord komt vóór het zelfstandig naamwoord.
  2. Lidwoorden kunnen bepaald (de, het) of onbepaald (een) zijn.
 WoordsoortLidwoord
EnkelvoudDe-woorden

De

De tafel (De tafel)

Het-woorden

Het

Het huis (Het huis)

MeervoudAlle woorden

De

De huizen (De huizen)

OnbepaaldDe-woorden

Een

Een tafel (Een tafel)

Het-woorden

Een

Een huis (Een huis)

Uitzonderingen!

  1. 'De' gebruik je bij mensen, dieren en de meeste dingen, zoals 'de jongen', 'de hond', 'de tafel'.
  2. 'Het' gebruik je bij verkleinwoorden en woorden met ‘ge-’ aan het begin, zoals 'het huisje', 'het meisje', 'het geluid'.
  3. Sommige woorden moet je gewoon leren, zoals 'het boek' en 'de zon'.

Oefening 1: Bepaalde en onbepaalde lidwoorden (de, het, een)

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

het, de, een

1.
Hij draagt ... rode jas.
(Hij draagt een rode jas.)
2.
We zitten in ... tuin.
(We zitten in de tuin.)
3.
Mijn vader heeft ... auto gewassen.
(Mijn vader heeft de auto gewassen.)
4.
Jij koopt ... appel in de supermarkt.
(Jij koopt een appel in de supermarkt.)
5.
Ik bestel ... menu van de dag.
(Ik bestel het menu van de dag.)
6.
Hij leest ... boek op de tafel.
(Hij leest het boek op de tafel.)
7.
Ik koop ... nieuwe fiets.
(Ik koop een nieuwe fiets.)
8.
Zij heeft ... kleine huisje gekocht.
(Zij heeft het kleine huisje gekocht.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ik woon nu in Amsterdam, maar ik ben geboren in ___ dorp naast ___ stad.


2. Kopenhagen is ___ hoofdstad van Denemarken, en Nederlands is ___ taal in Nederland.


3. Ik ben ___ Poolse man en mijn vrouw is ___ Nederlandse docent in onze cursus.


4. In mijn klas zit ___ vrouw uit Portugal en ___ man naast haar komt uit Zweden.


Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen en vul het juiste lidwoord in (de, het of een).

Toon/verberg hints
  1. Ik heb ___ afspraak om tien uur.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik heb een afspraak om tien uur.
  2. ___ collega komt uit Duitsland.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De collega komt uit Duitsland.
  3. Wij zoeken ___ appartement in Amsterdam.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wij zoeken een appartement in Amsterdam.
  4. ___ manager zit in ___ vergaderruimte.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De manager zit in de vergaderruimte.
  5. Ik schrijf ___ e-mail naar ___ klant.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik schrijf een e-mail naar de klant.
  6. Op mijn bureau staat ___ laptop en naast mij staat ___ kast.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Op mijn bureau staat een laptop en naast mij staat een kast.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 08/01/2026 20:54