Bezittelijke voornaamwoorden geven bezit of relatie aan, zoals mijn, jouw, zijn.
(Possessive pronouns indicate possession or relationship, such as mijn, jouw, zijn.)
- Ons is used with het-woorden, onze with de-woorden.
- Uw is the formal form of jouw.
| Subject | Bezittelijk voornaamwoord ((Possessive pronoun)) |
|---|---|
| Ik | Mijn ((My)) |
| Jij/je | Jouw / je ((Your)) |
| U | Uw ((Your - formal)) |
| Hij | Zijn ((His)) |
| Zij/ze | Haar ((Her)) |
| Wij/we | Onze / ons ((Our)) |
| Jullie | Jullie ((Your - plural)) |
| Zij/ze | Hun ((Their)) |
Exercise 1: De bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jouw, zijn,...)
Instruction: Fill in the correct word.
onze, jullie, Mijn, zijn, mijn, jouw, haar
Exercise 2: Multiple choice
Instruction: Choose the correct answer
1. Dit is mijn gezin: dit zijn mijn ouders en dit zijn ___ kinderen.
This is my family: these are my parents and these are ___ children.)2. Is dit ___ broer of is dit zijn broer?
Is this ___ brother or is this his brother?)3. Dit zijn mijn ouders en dat zijn ___ kleinkinderen.
These are my parents and those are ___ grandchildren.)4. Meneer De Vries, is dit ___ dochter of uw nicht?
Mr. De Vries, is this ___ daughter or your niece?)Exercise 3: Rewrite the phrases
Instruction: Rewrite the sentences using the correct possessive pronoun (my, your, his, her, our, your, their). Note: use 'our' for het-words and 'our' for de-words.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIk woon in een appartement. Het is mijn appartement.(Ik woon in een appartement. Het is mijn appartement.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleJij hebt een fiets. Dat is jouw fiets.(Jij hebt een fiets. Dat is jouw fiets.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleWij hebben een kind. Dat is ons kind.(Wij hebben een kind. Dat is ons kind.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleWij hebben een auto. Dat is onze auto.(Wij hebben een auto. Dat is onze auto.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDe kinderen hebben een kamer. Dat is hun kamer.(De kinderen hebben een kamer. Dat is hun kamer.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleMevrouw Jansen, u heeft een afspraak. Dit is uw afspraak.(Mevrouw Jansen, u heeft een afspraak. Dit is uw afspraak.)