1. Language immersion

2. Vocabulary (24)

De broer

De broer Show

The brother Show

De vader

De vader Show

The father Show

De moeder

De moeder Show

The mother Show

De ouders

De ouders Show

The parents Show

De kinderen

De kinderen Show

The children Show

De zoon

De zoon Show

The son Show

De dochter

De dochter Show

The daughter Show

De zus

De zus Show

The sister Show

De opa

De opa Show

The grandfather Show

De oma

De oma Show

The grandmother Show

Het gezin

Het gezin Show

The family (household) Show

De familie

De familie Show

The family Show

Het kleinkind

Het kleinkind Show

The grandchild Show

De oom

De oom Show

The uncle Show

De tante

De tante Show

The aunt Show

De neef

De neef Show

The cousin (male) Show

De nicht

De nicht Show

The cousin (female) Show

De stiefvader

De stiefvader Show

The stepfather Show

De stiefmoeder

De stiefmoeder Show

The stepmother Show

De stiefbroer

De stiefbroer Show

The stepbrother Show

De stiefzus

De stiefzus Show

The stepsister Show

Praten

Praten Show

To talk Show

Spreken

Spreken Show

To speak Show

Kletsen

Kletsen Show

To chat Show

4. Exercises

Exercise 1: Reorder sentences

Instruction: Make correct sentences.

Show answers
1.
dochter. | Mijn gezin | hebben één | is klein; | mijn vrouw | en ik
Mijn gezin is klein; mijn vrouw en ik hebben één dochter.
(My family is small; my wife and I have one daughter.)
2.
in Nederland; ik | en mijn moeder. | met mijn vader | Mijn ouders wonen | spreek elke week
Mijn ouders wonen in Nederland; ik spreek elke week met mijn vader en mijn moeder.
(My parents live in the Netherlands; I talk to my father and mother every week.)
3.
maar we kletsen | vaak via video. | mijn zus wonen | in andere steden, | Mijn broer en
Mijn broer en mijn zus wonen in andere steden, maar we kletsen vaak via video.
(My brother and sister live in different cities, but we often chat by video.)
4.
mijn dochter. | is mijn oma; | Dit is mijn | hun kleinkind is | opa en dit
Dit is mijn opa en dit is mijn oma; hun kleinkind is mijn dochter.
(This is my grandfather and this is my grandmother; their grandchild is my daughter.)
5.
familie? Heeft | of kleinkinderen? | Kunt u | iets vertellen | u kinderen | over uw
Kunt u iets vertellen over uw familie? Heeft u kinderen of kleinkinderen?
(Can you tell me something about your family? Do you have children or grandchildren?)
6.
een oom of | jouw gezin? Heb | Nederland? | je broers, zussen, | Hoe groot is | een tante in
Hoe groot is jouw gezin? Heb je broers, zussen, een oom of een tante in Nederland?
(How big is your family? Do you have brothers, sisters, an uncle, or an aunt in the Netherlands?)

Exercise 2: Multiple Choice

Instruction: Choose the correct solution

1. Ik ___ met mijn zus over onze ouders.

(I ___ to my sister about our parents.)

2. Mijn collega en ik ___ in de pauze over onze kinderen.

(My colleague and I ___ during the break about our children.)

3. ___ jij vaak met je moeder over je familie?

(___ you often talk to your mother about your family?)

4. Mijn opa ___ rustig, maar mijn oma praat heel snel.

(My grandfather ___ slowly, but my grandmother speaks very quickly.)

Exercise 3: Dialogue Cards

Instruction: Select a situation and practice the conversation with your teacher or fellow students.

Exercise 4: Respond to the situation

Instruction: Practice in pairs or with your teacher.

1. Je zit in de pauze met een nieuwe collega. Jullie kletsen rustig. Hij vraagt: "Hoe is jouw familie?" Vertel kort over je gezin. (Gebruik: Het gezin, De kinderen, kletsen)

(You are on a break with a new colleague. You chat casually. He asks, "How is your family?" Briefly tell about your household. (Use: Het gezin, De kinderen, kletsen))

Mijn gezin is    

(Mijn gezin is ...)

Example:

Mijn gezin is klein. Ik woon met mijn partner en twee kinderen.

(Mijn gezin is klein. Ik woon met mijn partner en twee kinderen.)

2. Je bent op een netwerkborrel. Iemand vraagt: "Woon jij hier met jouw ouders, of alleen?" Vertel kort over je ouders. (Gebruik: De ouders, De vader, De moeder)

(You are at a networking event. Someone asks, "Do you live here with your parents, or alone?" Briefly tell about your parents. (Use: De ouders, De vader, De moeder))

Mijn ouders wonen    

(Mijn ouders wonen ...)

Example:

Mijn ouders wonen in mijn land. Mijn vader en mijn moeder zijn daar samen.

(Mijn ouders wonen in mijn thuisland. Mijn vader en mijn moeder wonen daar samen.)

3. Je bent op een verjaardagsfeest bij Nederlandse buren. Iemand vraagt: "Heb jij broers of zussen?" Vertel kort over jouw broer of zus. (Gebruik: De broer, De zus, praten)

(You are at a birthday party at your Dutch neighbours'. Someone asks, "Do you have brothers or sisters?" Briefly tell about your brother or sister. (Use: De broer, De zus, praten))

Ik heb een    

(Ik heb een ...)

Example:

Ik heb een broer. We praten vaak op WhatsApp.

(Ik heb een broer. We praten vaak via WhatsApp.)

4. Je hebt een online meeting met een Nederlandse collega. Aan het begin kletsen jullie even. Je collega vertelt over haar opa en oma en vraagt dan naar jouw familie. Vertel kort over jouw opa of oma. (Gebruik: De opa, De oma, kleinkind)

(You have an online meeting with a Dutch colleague. At the start you chat a bit. Your colleague talks about her grandfather and grandmother and then asks about your family. Briefly tell about your grandfather or grandmother. (Use: De opa, De oma, kleinkind))

Mijn oma is    

(Mijn oma is ...)

Example:

Mijn oma is oud, maar nog heel actief. Ik ben haar kleinkind en ik bel haar elke week.

(Mijn oma is oud maar nog heel actief. Ik ben haar kleinkind en ik bel haar iedere week.)

Exercise 5: Writing exercise

Instruction: Write 4 or 5 sentences about your family or household, similar to Mark's profile.

Useful expressions:

Ik woon met mijn … / Ik heb één broer / twee zussen. / Mijn vader / moeder heet … / Mijn familie woont in …

Oefening 6: Conversation exercise

Instructie:

  1. Beschrijf de aangegeven relaties tussen de gezinsleden. (Describe the indicated relationships between the family members.)

Teaching guidelines +/- 10 minutes

Example phrases:

Juliette is de vrouw van Mark.

Juliette is the wife of Mark.

Alexis en Louise zijn de grootouders van Anna.

Alexis and Louise are the grandparents of Anna.

Marco is de zoon van Birgit en Stephan.

Marco is the son of Birgit and Stephan.

De jongen en het meisje zijn broer en zus.

The boy and the girl are siblings.

Caitlin is de moeder van twee meisjes.

Caitlin is the mother of two girls.

Het meisje heeft twee broers.

The girl has two brothers.

...