Negatie in het Nederlands wordt gevormd met 'niet' of 'geen', afhankelijk van het type woord dat ontkend wordt.

(Negation in Dutch is formed with 'niet' or 'geen', depending on the type of word that is being negated.)

When do you use niet and when geen?

  • geen = no / not any
  • niet = not

First ask yourself one question:

  • Do I negate a noun with een or with no article?
    → Use geen.
  • Do I negate anything else (verb, adjective, adverb, preposition phrase, whole sentence)?
    → Use niet.
Use Dutch English
geen + noun (with een or no article) Ik heb geen auto. I have no car / I don’t have a car.
niet + rest Ik werk niet in Utrecht. I do not work in Utrecht.

Rule 1 – Use geen for nouns without a definite article

Use geen when you say that you have “no X” or “not a/an X”.

  • Noun with een → change een to geen.
  • Noun with no article → use geen in front of the noun.
Positive Negative English
Ik heb een afspraak. Ik heb geen afspraak. I have an appointment. → I have no appointment.
Wij hebben een groot team. Wij hebben geen groot team. We have a big team. → We don’t have a big team.
Hij eet vlees. Hij eet geen vlees. He eats meat. → He eats no meat.
Wij hebben tijd. Wij hebben geen tijd. We have time. → We have no time.
  • Also in fixed descriptions of a type of person/thing:
    Hij is geen manager. – He is not a manager.
    Zij is geen open persoon. – She is not an open person.

Typical mistakes

  • Ik heb niet auto.Ik heb geen auto.
  • Hij is niet manager.Hij is geen manager.

Rule 2 – Use niet for verbs, adjectives, adverbs and prepositions

Use niet when you say that an action or quality is not true.

  • verb (the action)
  • adjective (friendly, tired, busy, …)
  • adverb (hard, often, well, …)
  • preposition phrase (in Utrecht, at home, on Monday, …)
Focus of the negation Dutch English
Adjective Ik ben niet moe. I am not tired.
Adverb Wij werken niet hard. We do not work hard.
Preposition phrase Ik werk niet in Utrecht. I do not work in Utrecht.
Whole verb idea Ik ga vandaag niet werken. I am not going to work today.

Typical mistakes

  • Wij spreken geen goed Nederlands.Wij spreken niet goed Nederlands.
    (The noun is Nederlands, but the focus is on goed.)
  • Ik werk geen in Amsterdam.Ik werk niet in Amsterdam.

Word order: where do you put niet?

The position of geen is simple: it stands directly before the noun.

  • Ik heb geen Nederlandse collega.
  • Wij hebben vanmiddag geen vergadering.

For niet, use this practical checklist:

  1. One verb in the sentence (present or past)?
    niet at the end, unless you want to negate a specific word.
  2. Two verbs (modal + infinitive, or perfect tense)?
    niet before the last verb (the infinitive or participle).
Type Dutch English
One verb, neutral Ik werk niet. I don’t work.
One verb + extra info Ik werk niet in Amsterdam. I don’t work in Amsterdam.
Two verbs (modal + infinitive) Ik kan vandaag niet werken. I cannot work today.
Two verbs (gaan + infinitive) Ik ga morgen niet reizen. I am not going to travel tomorrow.

Important exception already in the rule above

  • With an infinitive at the end, niet comes in front of that infinitive.
    Ik wil niet werken.
    Wij kunnen nu niet praten.

Step-by-step: choose between niet and geen

Use this quick procedure when you make a negative sentence.

  1. Find the main noun after the verb:
    Ask: “What do I have / get / want / see / need / eat / drink?”
  2. Is that noun with een or with no article?
    Yes → Use geen before the noun.
    No → Go to step 3.
  3. Then use niet and decide what you negate:
    the adjective, adverb, place, time or whole idea.
  4. Place niet correctly:
    One verb → at the end or before the word you negate.
    Two verbs → before the last verb.

Mini-check

  • Ik heb … collega. → noun with eengeen collega.
  • Wij werken … in Rotterdam. → place after verb → niet in Rotterdam.
  • Hij is … vriendelijk. → adjective → niet vriendelijk.
  • Zij heeft … laptop. → thing, no article → geen laptop.

Compare: small meaning differences

Sometimes both niet and geen are possible, with a different focus.

Dutch Meaning / focus
Ik ben geen manager. I am not a manager (my function is something else).
Ik ben niet de manager. I am not the manager (maybe someone else in the room is).

At A1 level, focus on the simple rule:

  • geen → after verbs like hebben, zijn, krijgen, willen + a noun with een or no article.
  • niet → everywhere else.

Self-check: can you do this now?

Without looking at the rules, decide: niet or geen?

  1. Ik heb … vergadering vanmiddag.
  2. Wij reizen … vaak met de trein.
  3. Hij is … eerlijk persoon.
  4. Ik werk vandaag … thuis.
  5. Wij hebben … kinderen.

Possible answers

  1. Ik heb geen vergadering vanmiddag. (noun, no article)
  2. Wij reizen niet vaak met de trein. (adverb vaak)
  3. Hij is geen eerlijk persoon. (type of person)
  4. Ik werk vandaag niet thuis. (place)
  5. Wij hebben geen kinderen. (noun, no article)

If you can explain why you chose niet or geen in each sentence, you are ready to use this in conversation.

  1. 'Niet' usually comes after the verb or before the word that is being negated.
  2. In a sentence with an infinitive, 'niet' is usually placed after the infinitive, except when there is still a conjugated verb in the main clause.
Type (Type)Positief (Positive)Negatief (Negative)

 

Zinnen met niet (Sentences with niet)

Werk je?

Studeren jullie?

Nee, ik werk niet

Nee, wij studeren niet.

Werk je in Utrecht?

Studeren jullie in Amsterdam?

Nee, ik werk niet in Utrecht.

Nee, wij studeren niet in Amsterdam.

Zinnen met geen (Sentences with geen)

Werk je hard?

Spreken jullie goed Nederlands?

Nee, ik werk niet hard.

Nee, wij spreken niet goed Nederlands.

Heb je een auto? 

Spreek je Chinees?

Hebben jullie kinderen?

Nee, ik heb geen auto. 

Nee, ik spreek geen Chinees.

Nee, wij hebben geen kinderen.

Exercise 1: Multiple choice

Instruction: Choose the correct answer

1. We zoeken een collega die vriendelijk is, ___ lui.

We zoeken een collega die vriendelijk is, ___ lui.)

2. Tom is ___ gesloten persoon; hij is heel open en eerlijk.

Tom is ___ gesloten persoon; hij is heel open en eerlijk.)

3. In mijn team is niemand lui, maar ik ben ___ heel verlegen.

In mijn team is niemand lui, maar ik ben ___ heel verlegen.)

4. Hij heeft ___ ervaring in Nederland, maar hij is niet dom en heel eerlijk.

Hij heeft ___ ervaring in Nederland, maar hij is niet dom en heel eerlijk.)

Exercise 2: Rewrite the phrases

Instruction: Rewrite the sentences in the negative form. Use 'niet' or 'geen' in the correct place, as in the example: Werk je in Utrecht? → Nee, ik werk niet in Utrecht.

Show/Hide translation Show/Hide hints
  1. Hint Hint (geen) Heb je een Nederlandse collega?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Nee, ik heb geen Nederlandse collega.
    (Nee, ik heb geen Nederlandse collega.)
  2. Hint Hint (niet) Werk je vandaag op kantoor?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Nee, ik werk vandaag niet op kantoor.
    (Nee, ik werk vandaag niet op kantoor.)
  3. Hint Hint (niet) Spreken jullie goed Engels?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Nee, wij spreken niet goed Engels.
    (Nee, wij spreken niet goed Engels.)
  4. Hint Hint (geen) Hebben jullie een vergadering vanmiddag?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Nee, wij hebben vanmiddag geen vergadering.
    (Nee, wij hebben vanmiddag geen vergadering.)
  5. Hint Hint (niet) Reis je vaak met de trein naar je werk?
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Nee, ik reis niet vaak met de trein naar mijn werk.
    (Nee, ik reis niet vaak met de trein naar mijn werk.)
  6. Hint Hint (geen) Heb je kinderen of een auto? (Maak één zin.)
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Nee, ik heb geen kinderen en geen auto.
    (Nee, ik heb geen kinderen en geen auto.)

Exercise 3: Grammar in action

Instruction: Discuss with a partner which qualities you do and do not want in colleagues.

Show/Hide translation
Situation
Je bent nieuw op je werk en ontmoet drie collega’s tijdens de lunch.
(You’re new at work and meet three colleagues during lunch.)

Discuss
  • Welke eigenschappen vind jij belangrijk in een collega? (Which qualities do you consider important in a colleague?)
  • Welke eigenschappen vind jij niet goed bij een collega? (Which qualities do you think are undesirable in a colleague?)

Useful words and phrases
  • Hij is niet vriendelijk, maar wel eerlijk. (He’s not friendly, but he is honest.)
  • Zij is niet verlegen, maar ook niet heel open. (She’s not shy, but she isn’t very outgoing either.)
  • Wij hebben geen onvriendelijke collega’s in dit team (We don’t have unfriendly colleagues on this team)

Use in conversation
  • Ik ben niet ... (I am not ...)
  • Hij/zij is geen ... persoon (He/she is not a ... person)
  • Wij hebben geen ... collega’s in het team (We don’t have ... colleagues on the team)

Written by

This content has been designed and reviewed by the coLanguage pedagogical team: About coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Business and languages

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Last Updated:

Wednesday, 18/02/2026 16:38