Strong verbs: simple past and past participle

Sterke werkwoorden: onvoltooid verleden tijd en voltooid deelwoord


Sterke werkwoorden veranderen van klank in de onvoltooid verleden tijd en voltooid deelwoord.

(Strong verbs change their sound in the simple past and the past participle.)

What “strong verbs” are (and why they feel irregular)

Sterke werkwoorden (strong verbs) do not follow the normal “-de/-te” past tense rule.

  • Simple past (O.V.T.): the vowel changes (kies → koos, krijg → kreeg).
  • Past participle (voltooid deelwoord): often ends in -en (or ge- + stem + en), e.g. gekozen, getrokken, gegaan.

Two key forms to learn: O.V.T. vs. voltooid deelwoord

Use Form Typical signal words Example
Simple past (finished action in the past) O.V.T. gisteren, vorige week, toen, in 2023 Gisteren ging ik naar de winkel.
Present perfect (past linked to “now” / result) heb/ben + voltooid deelwoord al, net, ooit, vandaag Ik ben gegaan naar de winkel.

How to choose: “ging” or “ben gegaan”?

  • O.V.T. is common in stories with a clear past time: Gisteren, toen, vorige week.
  • Perfect is common when the result matters now or the time is not the focus.
Meaning you want Best choice Example
Past event, “telling what happened” O.V.T. Vorige week koos ik een nieuw colbert.
Experience / result now heb/ben + participle Ik heb een nieuw colbert gekozen.

Past participle: “heb gekregen” vs. “ben gegaan”

In Dutch, the auxiliary is usually hebben, but some verbs use zijn.

  • hebben: most actions and “doing” verbs → heb gedaan, heb gevraagd, heb gekregen
  • zijn: mainly movement or change of stateben gegaan, ben gekomen
Correct Common mistake Why
Ik heb gekregen een e-mail. Ik ben gekregen een e-mail. Krijgen is not movement/change of state.
Ik ben gegaan naar de winkel. Ik heb gegaan naar de winkel. Gaan is movement.

Spelling traps: what to watch for with strong verbs

  • No -de/-te endings in O.V.T.: koos, kwam, zei, dacht (not *kiesde*, *komde*, *zegde*, *denkde*).
  • Past participles are fixed forms you learn as a whole word:
    • krijgen → gekregen (not gekrijgd)
    • trekken → getrokken
    • houden → gehouden
    • doen → gedaan

Quick self-check before you answer

  1. Do you need O.V.T. or perfect?
    • Clear past time + story flow → O.V.T.
    • Result/experience now → heb/ben + participle
  2. If it’s perfect: choose heb or ben
    • Movement/change (gaan, komen) → ben
    • Most other verbs → heb
  3. Then pick the strong verb form from the table (don’t “build” it with rules).

Mini examples (professional, everyday context)

  • Ik kreeg gisteren feedback van mijn manager. / Ik heb gisteren feedback gekregen.
  • We kozen een nieuwe leverancier. / We hebben een nieuwe leverancier gekozen.
  • Ik trok snel een blazer aan. / Ik heb snel een blazer aangetrokken.
  • De klant vroeg om een andere maat. / De klant heeft om een andere maat gevraagd.
  • Ik deed mijn presentatie in het Nederlands. / Ik heb mijn presentatie gedaan.
  • Na het werk ging ik naar de winkel. / Ik ben naar de winkel gegaan.
  1. Strong verbs are verbs that do not follow the general conjugation rules.
  2. Strong verbs change the vowel in the simple past.
  3. Past participle often ends in '-en' or 'ge- + stem + en'.
InfinitiefO.V.T.Voltooid deelwoord
Krijgen (to get)kreeg (got)gekregen (gotten)
Kiezen (to choose)koos (chose)gekozen (chosen)
Trekken (to pull)trok (pulled)getrokken (pulled)
Vragen (to ask)vroeg (asked)gevraagd (asked)
Doen (to do)deed (did)gedaan (done)
Gaan (to go)ging (went)gegaan (gone)
Houden (to hold)hield (held)gehouden (held)
Komen (to come)kwam (came)gekomen (come)
Denken (to think)dacht (thought)gedacht (thought)
Zeggen (to say)zei (said)gezegd (said)

Exercise 1: Multiple choice

Instruction: Choose the correct answer

Fetching your corrections... Please don't close this page yet.

1. Gisteren ____ ik een nieuw merk T-shirt als cadeau.

Yesterday ____ I got a new brand T-shirt as a gift.

2. In de winkel heb ik een vintage jas gepast en uiteindelijk ____.

In the store I tried on a vintage jacket and eventually ____.

3. Vorige week ____ ik naar de paskamer om de outfit te passen.

Last week ____ I went to the fitting room to try on the outfit.

4. De verkoopster ____ mij welke maat ik aanhad.

The saleswoman ____ me what size I was wearing.

Exercise 2: Rewrite the phrases

Instruction: Rewrite the sentences in the simple past tense (O.V.T.). Pay attention to the strong verbs (e.g. gaan → ging).

Fetching your corrections... Please don't close this page yet.

Show/Hide translation Show/Hide hints
  1. Ik krijg vandaag een e-mail van mijn manager.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Example
    Ik kreeg vandaag een e-mail van mijn manager.
    (Today I received an email from my manager.)
  2. We kiezen een nieuwe leverancier voor de werkkleding.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Example
    We kozen een nieuwe leverancier voor de werkkleding.
    (We chose a new supplier for the workwear.)
  3. Hij trekt zijn nette jas aan voor de afspraak.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Example
    Hij trok zijn nette jas aan voor de afspraak.
    (He put on his smart jacket for the appointment.)
  4. De klant vraagt om een andere maat.
    ⇒ ______________________________________________________________________________________________________________ Example
    De klant vroeg om een andere maat.
    (The customer asked for a different size.)

Written by

This content has been designed and reviewed by the coLanguage pedagogical team: About coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Business and languages

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Last Updated:

Thursday, 07/05/2026 17:48