Herken in de video: mobiliteit, park and ride, fietsen, wandelen, auto, rijstrook, openbaar vervoer.
Reconocer en el vídeo: movilidad, aparcamiento disuasorio, bicicletas, caminar, coche, carril, transporte público.

De stad van morgen is groen, stil en vol frisse lucht!

1. Vroeger was de auto het belangrijkste vervoermiddel. (Antes, el coche era el medio de transporte más importante.) Mostrar
2. In de stad zijn veel straten met veel rijstroken. (En la ciudad hay muchas calles con muchos carriles.) Mostrar
3. Nu vinden mensen lopen en fietsen heel belangrijk. (Ahora la gente considera muy importante caminar y andar en bicicleta.) Mostrar
4. Auto's parkeren vaak buiten de stad. (Los coches a menudo se aparcan fuera de la ciudad.) Mostrar
5. De mensen gaan dan met de bus, de tram of de metro naar het centrum. (Entonces, la gente va al centro en autobús, tranvía o metro.) Mostrar
6. Van de ene stad naar de andere stad reizen we met de trein. (De una ciudad a otra viajamos en tren.) Mostrar
7. Als het ver is, gaan sommige mensen met het vliegtuig. (Si es lejos, algunas personas van en avión.) Mostrar
8. Misschien gaan we over vijftig jaar allemaal elektrisch vliegen met drones. (Quizás dentro de cincuenta años todos volaremos eléctricamente con drones.) Mostrar
9. Maar nu hebben we nog parkeerplekken nodig voor de auto's. (Pero ahora todavía necesitamos aparcamientos para los coches.) Mostrar

Ejercicio 1: Preguntas de debate

Instrucción: Debatir las preguntas después de escuchar el audio o leer el texto.

  1. Wat is vandaag prioriteit?
  2. ¿Qué es prioridad hoy?
  3. Gebruik jij vaak het openbaar vervoer?
  4. ¿Usas a menudo el transporte público?
  5. Hoe is groene mobiliteit in jouw land?
  6. ¿Cómo es la movilidad verde en tu país?
  7. Wat is jouw favoriete vervoersmiddel?
  8. ¿Cuál es tu medio de transporte favorito?