A2.19.2 - Reziprokes Pronomen (einander, elkaars)
Wederkerig voornaamwoord (elkaar, elkaars)
Het wederkerig voornaamwoord verwijst naar twee of meer personen die iets samen doen, zoals elkaar, elkaars, na elkaar.
(Das reziproke Fürwort bezieht sich auf zwei oder mehr Personen, die etwas zusammen tun, wie einander, einanders, na einander.)
- Verwenden Sie elkaar als Subjekt, wenn es aus mehreren Personen besteht.
- „Elkaars“ zeigt Besitz an und gehört zu einem Substantiv.
- Das reziproke Pronomen folgt oft dem Verb.
- Das Reflexivpronomen kann ein direktes oder indirektes Objekt sein und es kann nach einer Präposition stehen. Zum Beispiel: Sie sprechen miteinander.
| Zelfstandig (Selbstständig) | Bijvoeglijk (Adjektivisch) | |
|---|---|---|
| Neutraal (Neutral) | elkaar (einander) | elkaars (einanderes) |
| Informeel (Informell) | mekaar (miteinander) | mekaars (miteinander's) |
| Voorbeelden (Beispiele) | Ze helpen elkaar. (Sie helfen einander.) We hebben mekaar al weken niet gezien. (Wir haben uns seit Wochen nicht gesehen.) | Ze gebruiken elkaars telefoon. (Sie benutzen das Telefon voneinander.) Wij dragen mekaars tassen naar school. (Wir tragen die Taschen voneinander zur Schule.) |
Ausnahmen!
- Im umgangssprachlichen Gebrauch wird oft mekаar(s) verwendet.
Übung 1: Reziprokes Pronomen (elkaar, elkaars)
Anleitung: Füllen Sie das richtige Wort ein.
elkaars, elkaar
Übung 2: Mehrfachauswahl
Anleitung: Wähle den richtigen Satz mit dem korrekten reziproken Pronomen: „einander“ oder „eines anderen“. Achte genau auf das Subjekt und den Besitz im Satz.
Übung 3: Umschreiben Sie die Ausdrücke
Anleitung: Schreibe die Sätze mit dem richtigen reziproken Pronomen um: verwende elkaar / elkaars (oder informell mekaar / mekaars), sodass der Satz natürlich und korrekt ist.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleTom en Lisa geven elkaar een cadeautje.(Tom en Lisa geven elkaar een cadeautje.)
-
We bellen elke dag. Jij belt mij en ik bel jou.⇒ _______________________________________________ ExampleWe bellen elkaar elke dag.(We bellen elkaar elke dag.)
-
⇒ _______________________________________________ ExampleDe buren gebruiken elkaars tuin.(De buren gebruiken elkaars tuin.)
-
Op de camping dragen mijn vrienden en ik de zware tassen van mijn vrienden en van mij.⇒ _______________________________________________ ExampleOp de camping dragen mijn vrienden en ik elkaars zware tassen.(Op de camping dragen mijn vrienden en ik elkaars zware tassen.)
-
Hinweis Hinweis (elkaars) In de vergadering luisteren de collegas naar de mening van de andere collegas.⇒ _______________________________________________ ExampleIn de vergadering luisteren de collegas naar elkaars mening.(In de vergadering luisteren de collega’s naar elkaars mening.)
-
Tijdens de vakantie koken mijn zus en ik voor mijn zus en mij.⇒ _______________________________________________ ExampleTijdens de vakantie koken mijn zus en ik voor elkaar.(Tijdens de vakantie koken mijn zus en ik voor elkaar.)
Wenden Sie diese Grammatik bei echten Gesprächen an!
Diese Grammatikübungen sind Teil unserer Konversationskurse. Finde einen Lehrer und übe dieses Thema in echten Gesprächen!
- Implementiert CEFR, DELE-Prüfung und Richtlinien des Cervantes-Instituts
- Unterstützt von der Universität Siegen
Geschrieben von
Dieser Inhalt wurde vom pädagogischen Team von coLanguage entworfen und überprüft. Über coLanguage