Het wederkerig voornaamwoord verwijst naar twee of meer personen die iets samen doen, zoals elkaar, elkaars, na elkaar.

1. Wat betekenen elkaar en elkaars precies?

Met elkaar en elkaars laat je zien dat twee (of meer) personen iets doen in twee richtingen.

  • elkaar = elkaar als persoon, als voorwerp van het werkwoord.
    We helpen elkaar.
  • elkaars = bezit van de één en van de ander.
    We gebruiken elkaars tent.
  • mekaar / mekaars = informele spreektaal voor elkaar / elkaars.

Belangrijk: het onderwerp is altijd meervoud (minstens twee personen).

  • Wij helpen elkaar.
  • De buren gebruiken elkaars schuur.

2. Snelle beslisregel: elkaar of elkaars?

Stel jezelf steeds deze vraag:

  • Gaat het om personen? → gebruik elkaar.
    Ze bellen elkaar.
  • Gaat het om bezit + zelfstandig naamwoord? → gebruik elkaars.
    Ze luisteren naar elkaars ideeën.
Vraag Gebruik Voorbeeld
Doen we iets met elkaar? elkaar We zien elkaar elke week.
Is er iets van elkaar? elkaars We lezen elkaars berichten.

3. Waar staat elkaar in de zin?

Elkaar is een wederkerig voornaamwoord. Het kan verschillende functies hebben.

  • Als lijdend voorwerp (wie/wat + werkwoord):
    Ze zien elkaar niet vaak.
  • Als meewerkend voorwerp (aan/voor wie):
    We sturen elkaar een bericht.
  • Na een voorzetsel (met, naar, voor, bij, over, …):
    Ze praten met elkaar.
    We lachen om elkaar.

In neutrale zinnen staat elkaar meestal direct na het werkwoord of na het werkwoord + ander voorwerp:

  • We helpen elkaar.
  • We vertellen elkaar een geheim.

4. Waar staat elkaars in de zin?

Elkaars is een bezittelijk woord. Er hoort altijd een zelfstandig naamwoord direct achter.

  • Goed: elkaars auto, elkaars kinderen, elkaars mening
  • Fout: ze respecteren elkaars (er mist een zelfstandig naamwoord)

Typische plaatsen van elkaars:

  • Na een werkwoord:
    Ze bewonderen elkaars foto’s.
  • Na een voorzetsel:
    Ze lachen om elkaars grapjes.
    We zorgen voor elkaars huisdieren.

5. Formeel of informeel: elkaar vs. mekaar

In de standaardtaal (zeker in werk en studie) gebruik je:

  • elkaar
  • elkaars

In ontspannen spreektaal hoor je vaak:

  • mekaar in plaats van elkaar
    We zien mekaar morgen wel.
  • mekaars in plaats van elkaars
    We lezen mekaars appjes.

Advies op A2-niveau:

  • Leer en gebruik elkaar / elkaars.
  • Herken mekaar / mekaars als informeel.

6. Veelgemaakte fouten en hoe je ze vermijdt

  • 1. elkaars zonder zelfstandig naamwoord
    Ze helpen elkaars.
    Ze helpen elkaar.
    Ze dragen elkaars koffers.
  • 2. elkaar gebruiken voor bezit
    We lezen elkaar boeken.
    Mogelijk, maar dan betekent het: we lezen boeken voor elkaar (hardop).
    Wil je bezit bedoelen? Gebruik elkaars:
    We lezen elkaars boeken. (ik lees jouw boeken, jij de mijne)
  • 3. Enkelvoud als onderwerp
    Ik help elkaar.
    Hij en ik helpen elkaar.
    Mijn collega en ik helpen elkaar.
  • 4. Vergeten dat het om twee richtingen gaat
    Hij belt haar. (één richting)
    Hij en zij bellen elkaar. (twee richtingen)

7. Stap-voor-stap: zo controleer je je zin

  1. Zoek het onderwerp.
    Is het onderwerp minstens twee personen? Zo niet: geen elkaar / elkaars.
  2. Beslis: actie of bezit?
    • Alleen een handeling tussen personen? → elkaar.
    • Iets is van de één en van de ander? → elkaars + zelfstandig naamwoord.
  3. Kijk naar het voorzetsel.
    • Na een voorzetsel zonder zelfstandig naamwoord erna → elkaar.
      met elkaar, bij elkaar, voor elkaar
    • Na een voorzetsel met zelfstandig naamwoord erna → vaak elkaars.
      voor elkaars kinderen, om elkaars grappen
  4. Lees de zin hardop.
    Vraag jezelf: “Doen we iets met elkaar, of is het van elkaar?”

8. Zelfcheck: begrijp ik het nu?

  • Ik kan uitleggen in mijn eigen woorden wat elkaar betekent.
  • Ik kan uitleggen wanneer ik elkaars gebruik.
  • Ik weet dat bij bezit altijd een zelfstandig naamwoord na elkaars komt.
  • Ik herken dat mekaar / mekaars informeel is.
  • Ik kan in mijn eigen zinnen snel kiezen tussen elkaar en elkaars.

Als je alle punten hierboven met “ja” kunt beantwoorden, ben je klaar om deze vormen actief te gebruiken in gesprekken.

  1. Gebruik 'elkaar' als het onderwerp uit meerdere personen bestaat.
  2. 'Elkaars' geeft bezit aan en hoort bij een zelfstandig naamwoord.
  3. Het wederkerig voornaamwoord volgt vaak het werkwoord.
  4. Het wederkerig voornaamwoord kan een lijdend of meewerkend voorwerp zijn en het kan na een voorzetsel komen. Bijvoorbeeld: Ze praten met elkaar
 ZelfstandigBijvoeglijk
Neutraalelkaarelkaars
Informeelmekaarmekaars
VoorbeeldenZe helpen elkaar.
We hebben mekaar al weken niet gezien.
Ze gebruiken elkaars telefoon.
Wij dragen mekaars tassen naar school. 

Uitzonderingen!

  1. In de spreektaal wordt vaak mekaar(s) gebruikt.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Op de camping helpen we ___ met de tent opzetten, want het is best moeilijk in het donker.


2. De kinderen lenen ___ zaklamp als ze ’s nachts naar de wc gaan.


3. Mijn collega en ik laten ___ op de wereldkaart zien waar we graag kamperen: in het noorden en in het zuiden van het land.


4. ’s Avonds op de camping bewonderen we ___ foto’s van de sterrenhemel en de maan.


Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste zin met het correcte wederkerig voornaamwoord: 'elkaar' of 'elkaars'. Let goed op het onderwerp en het bezit in de zin.

1.
'Mekaars' is informeel en onjuist zonder zelfstandig naamwoord.
'Elkaars' is bezittelijk en kan niet zonder zelfstandig naamwoord staan.
2.
'Mekaar' is informeel, maar zonder 's' is de bezitsvorm onjuist bij 'kaarten'.
'Elkaar' is hier onjuist; bezit wordt uitgedrukt met 'elkaars'.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen met het juiste wederkerig voornaamwoord: gebruik elkaar / elkaars (of informeel mekaar / mekaars) zodat de zin natuurlijk en correct is.

Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (elkaar) Tom en Lisa geven een cadeautje. Het cadeautje is voor de ander.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Tom en Lisa geven elkaar een cadeautje.
  2. We bellen elke dag. Jij belt mij en ik bel jou.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    We bellen elkaar elke dag.
  3. Hint Hint (elkaars) De buren gebruiken de tuin van de buren.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    De buren gebruiken elkaars tuin.
  4. Op de camping dragen mijn vrienden en ik de zware tassen van mijn vrienden en van mij.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Op de camping dragen mijn vrienden en ik elkaars zware tassen.

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Voer in tweetallen een kort gesprek en plan samen een gezellige sterrenkijkavond.

Situatie
Op de camping bespreken jullie samen een avondactiviteitenplan met de buren.

Bespreek
  • Welke plekken op de wereldkaart tonen jullie elkaar en waarom?
  • Hoe helpen jullie elkaar met eten, stoelen en warme dekens buiten? 

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • We gebruiken elkaars zaklamp om de sterren te zien.
  • We zitten naast elkaar en kijken naar de maan en sterren.
  • De kinderen spelen na elkaar en tonen mekaar de wereldkaart.

Gebruik in gesprek
  • elkaar / mekaar
  • elkaars / mekaars
  • na elkaar

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 06/03/2026 04:09