Het wederkerig voornaamwoord verwijst naar twee of meer personen die iets samen doen, zoals elkaar, elkaars, na elkaar.
- Gebruik 'elkaar' als het onderwerp uit meerdere personen bestaat.
- 'Elkaars' geeft bezit aan en hoort bij een zelfstandig naamwoord.
- Het wederkerig voornaamwoord volgt vaak het werkwoord.
- Het wederkerig voornaamwoord kan een lijdend of meewerkend voorwerp zijn en het kan na een voorzetsel komen. Bijvoorbeeld: Ze praten met elkaar
| Zelfstandig | Bijvoeglijk | |
|---|---|---|
| Neutraal | elkaar (elkaar) | elkaars (elkaars) |
| Informeel | mekaar (mekaar) | mekaars (mekaars) |
| Voorbeelden | Ze helpen elkaar. (Ze helpen elkaar.) We hebben mekaar al weken niet gezien. (We hebben mekaar al weken niet gezien.) | Ze gebruiken elkaars telefoon. (Ze gebruiken elkaars telefoon.) Wij dragen mekaars tassen naar school. (Wij dragen mekaars tassen naar school.) |
Uitzonderingen!
- In de spreektaal wordt vaak mekaar(s) gebruikt.
Oefening 1: Wederkerig voornaamwoord (elkaar, elkaars)
Instructie: Vul het juiste woord in.
elkaars, elkaar
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste zin met het correcte wederkerig voornaamwoord: 'elkaar' of 'elkaars'. Let goed op het onderwerp en het bezit in de zin.
Oefening 3: Herschrijf de zinnen
Instructie: Herschrijf de zinnen met het juiste wederkerig voornaamwoord: gebruik elkaar / elkaars (of informeel mekaar / mekaars) zodat de zin natuurlijk en correct is.
-
We bellen elke dag. Jij belt mij en ik bel jou.
-
Op de camping dragen mijn vrienden en ik de zware tassen van mijn vrienden en van mij.⇒ _______________________________________________ ExampleOp de camping dragen mijn vrienden en ik elkaars zware tassen.
-
⇒ _______________________________________________ ExampleIn de vergadering luisteren de collegas naar elkaars mening.
-
Tijdens de vakantie koken mijn zus en ik voor mijn zus en mij.⇒ _______________________________________________ ExampleTijdens de vakantie koken mijn zus en ik voor elkaar.