A1.35.2 - Sätze verbinden mit dus, omdat, want, ook
Zinnen verbinden met dus, omdat, want, ook
Gebruik dus, omdat, want, ook om verbanden te leggen tussen zinnen en ideeën.
(Verwenden Sie also, weil, denn, auch, um Zusammenhänge zwischen Sätzen und Ideen herzustellen.)
- 'Omdat' gibt einen Grund an und steht im Nebensatz.
- 'Want' gibt einen Grund an und steht im Hauptsatz.
- 'Dus' zeigt eine Folge an und steht im Hauptsatz.
- 'Ook' fügt zusätzliche Informationen hinzu und steht oft im Hauptsatz.
| Verbindingswoord (Bindewort) | Voorbeeld (Beispiel) |
|---|---|
| Dus (Also) | Ik ben moe, dus ik ga slapen. (Ich bin müde, also gehe ich schlafen.) |
| Omdat (Weil) | Zij willen het hotel reserveren, omdat de villa erg duur is. (Sie möchten das Hotel reservieren, weil die Villa sehr teuer ist.) |
| Want (Denn) | Ik blijf thuis, want ik ben ziek. (Ich bleibe zu Hause, denn ich bin krank.) |
| Ook (Auch) | Hij heeft een huis, en ook een auto. (Er hat ein Haus und auch ein Auto.) |
Ausnahmen!
- Want und dus können nicht in einem Nebensatz stehen.
- Weil wird von einem Nebensatz mit dem Verb am Ende gefolgt.
Übung 1: Sätze verbinden mit dus, omdat, want, ook
Anleitung: Füllen Sie das richtige Wort ein.
omdat, ook, dus, want
Übung 2: Mehrfachauswahl
Anleitung: Wähle die richtige Antwort
1. Ik wil graag een appartement in het centrum huren, ___ ik daar werk.
Ich möchte gern eine Wohnung im Zentrum mieten, ___ ich dort arbeite.)2. We zoeken een huis met drie kamers ___ we twee kinderen hebben.
Wir suchen ein Haus mit drei Zimmern ___ wir zwei Kinder haben.)3. Het hotel is vol, ___ we reserveren een kamer in een ander hotel.
Das Hotel ist voll, ___ wir reservieren ein Zimmer in einem anderen Hotel.)4. De kamer is groot en ___ het balkon is heel ruim.
Das Zimmer ist groß und ___ der Balkon ist sehr geräumig.)Übung 3: Umschreiben Sie die Ausdrücke
Anleitung: Formuliere die Sätze um und verbinde sie zu einem Satz mit also, weil, denn oder auch (Achtung: bei "weil" steht das Verb am Satzende).
-
Ik ben erg moe. Ik ga naar bed.⇒ _______________________________________________ ExampleIk ben erg moe, dus ik ga naar bed.(Ik ben erg moe, dus ik ga naar bed.)
-
Ik blijf thuis. Ik ben ziek.⇒ _______________________________________________ ExampleIk blijf thuis, want ik ben ziek.(Ik blijf thuis, want ik ben ziek.)
-
Wij huren een appartement. Een huis is te duur.⇒ _______________________________________________ ExampleWij huren een appartement, omdat een huis te duur is.(Wij huren een appartement, omdat een huis te duur is.)
-
De kamer is groot. De kamer heeft een balkon.⇒ _______________________________________________ ExampleDe kamer is groot en heeft ook een balkon.(De kamer is groot en heeft ook een balkon.)
-
Ik werk vandaag thuis. Het is heel druk op kantoor.⇒ _______________________________________________ ExampleIk werk vandaag thuis, want het is heel druk op kantoor.(Ik werk vandaag thuis, want het is heel druk op kantoor.)
-
We willen dit appartement. Het is rustig. Het is niet duur.⇒ _______________________________________________ ExampleWe willen dit appartement, omdat het rustig is en ook niet duur.(We willen dit appartement, omdat het rustig is en ook niet duur.)
Wenden Sie diese Grammatik bei echten Gesprächen an!
Diese Grammatikübungen sind Teil unserer Konversationskurse. Finde einen Lehrer und übe dieses Thema in echten Gesprächen!
- Implementiert CEFR, DELE-Prüfung und Richtlinien des Cervantes-Instituts
- Unterstützt von der Universität Siegen
Geschrieben von
Dieser Inhalt wurde vom pädagogischen Team von coLanguage entworfen und überprüft. Über coLanguage