Gebruik dus, omdat, want, ook om verbanden te leggen tussen zinnen en ideeën.
(Usa dus, porque, want, ook para establecer conexiones entre oraciones e ideas.)
- "Porque" indica una razón y está en la oración subordinada.
- "Want" indica una causa y está en la oración principal.
- 'Dus' indica una consecuencia y está en la oración principal.
- 'Ook' añade información extra y suele estar en la oración principal.
| Verbindingswoord (Palabra de conexión) | Voorbeeld (Ejemplo) |
|---|---|
| Dus (Por lo tanto) | Ik ben moe, dus ik ga slapen. (Estoy cansado, por lo tanto me voy a dormir.) |
| Omdat (Porque) | Zij willen het hotel reserveren, omdat de villa erg duur is. (Ellos quieren reservar el hotel, porque la villa es muy cara.) |
| Want (Porque) | Ik blijf thuis, want ik ben ziek. (Me quedo en casa, porque estoy enfermo.) |
| Ook (También) | Hij heeft een huis, en ook een auto. (Él tiene una casa y también un coche.) |
¡Excepciones!
- Want en dus no pueden estar en una oración subordinada.
- Porque va seguido de una oración subordinada con el verbo al final.
Ejercicio 1: Conectar oraciones con dus, porque, want, ook
Instrucción: Rellena la palabra correcta.
omdat, ook, dus, want
Ejercicio 2: Opción múltiple
Instrucción: Elige la respuesta correcta
1. Ik wil graag een appartement in het centrum huren, ___ ik daar werk.
Quiero alquilar un apartamento en el centro, ___ trabajo allí.)2. We zoeken een huis met drie kamers ___ we twee kinderen hebben.
Buscamos una casa de tres habitaciones ___ tenemos dos hijos.)3. Het hotel is vol, ___ we reserveren een kamer in een ander hotel.
El hotel está lleno, ___ reservamos una habitación en otro hotel.)4. De kamer is groot en ___ het balkon is heel ruim.
La habitación es grande y ___ el balcón también es muy amplio.)Ejercicio 3: Reescribe las frases
Instrucción: Reescribe las oraciones y únelas en una sola frase con «dus», «omdat», «want» u «ook» (nota: con «omdat» el verbo va al final).
-
Ik ben erg moe. Ik ga naar bed.⇒ _______________________________________________ ExampleIk ben erg moe, dus ik ga naar bed.(Ik ben erg moe, dus ik ga naar bed.)
-
Ik blijf thuis. Ik ben ziek.⇒ _______________________________________________ ExampleIk blijf thuis, want ik ben ziek.(Ik blijf thuis, want ik ben ziek.)
-
Wij huren een appartement. Een huis is te duur.⇒ _______________________________________________ ExampleWij huren een appartement, omdat een huis te duur is.(Wij huren een appartement, omdat een huis te duur is.)
-
De kamer is groot. De kamer heeft een balkon.⇒ _______________________________________________ ExampleDe kamer is groot en heeft ook een balkon.(De kamer is groot en heeft ook een balkon.)
-
Ik werk vandaag thuis. Het is heel druk op kantoor.⇒ _______________________________________________ ExampleIk werk vandaag thuis, want het is heel druk op kantoor.(Ik werk vandaag thuis, want het is heel druk op kantoor.)
-
We willen dit appartement. Het is rustig. Het is niet duur.⇒ _______________________________________________ ExampleWe willen dit appartement, omdat het rustig is en ook niet duur.(We willen dit appartement, omdat het rustig is en ook niet duur.)