Herken in de video: Wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe. Een vraag stellen. Een open vraag, een gesloten vraag. Antwoord, onderwerp.
Reconoce en el vídeo: quién, qué, dónde, cuándo, por qué, cómo. Hacer una pregunta. Una pregunta abierta, una pregunta cerrada. Respuesta, sujeto.
Leer het verschil tussen open en open vragen. Hoe, wie, wat, waar, wanneer en waarom.
1. | Het is belangrijk om goede vragen te stellen. | (Es importante hacer buenas preguntas.) Mostrar |
2. | Dat is fijn voor de medewerker en ook voor jezelf. | (Eso es bueno para el empleado y también para ti mismo.) Mostrar |
3. | Je begrijpt elkaar dan beter. | (Así se entienden mejor.) Mostrar |
4. | Een open vraag begint met wie, wat, waar, hoe of wanneer. | (Una pregunta abierta comienza con quién, qué, dónde, cómo o cuándo.) Mostrar |
5. | Een waarom-vraag is ook een open vraag, maar die kan soms druk geven. | (Una pregunta por qué también es una pregunta abierta, pero a veces puede resultar agobiante.) Mostrar |
6. | Bijvoorbeeld: Waarom ben je te laat? Dat is anders dan: Hoe komt het dat je te laat bent? | (Por ejemplo: Waarom ben je te laat? Eso es diferente a: Hoe komt het dat je te laat bent?) Mostrar |
7. | Een gesloten vraag gebruik je om iets te controleren. | (Una pregunta cerrada la usas para verificar algo.) Mostrar |
8. | De vraag begint dan met een werkwoord. | (La pregunta entonces comienza con un verbo.) Mostrar |
9. | Bijvoorbeeld: Heb je het project al af? | (Por ejemplo: Heb je het project al af?) Mostrar |
10. | Als je een antwoord wilt horen, stel dan een open vraag. | (Si quieres escuchar una respuesta, haz una pregunta abierta.) Mostrar |
11. | Een gesloten vraag zoals: Lukt het om te slapen? geeft alleen ja of nee als antwoord. | (Una pregunta cerrada como: Lukt het om te slapen? solo da respuestas de sí o no.) Mostrar |
12. | Het is beter om een open vraag te stellen: Hoe gaat het eigenlijk met je slapen? | (Es mejor hacer una pregunta abierta: Hoe gaat het eigenlijk met je slapen?) Mostrar |
13. | Zo kan de medewerker meer vertellen en kun jij beter luisteren. | (Así el empleado puede contar más y tú puedes escuchar mejor.) Mostrar |
Ejercicio 1: Preguntas de debate
Instrucción: Debatir las preguntas después de escuchar el audio o leer el texto.
- Wat zijn alle vraagwoorden?
- Stel een vraag met elk vraagwoord.
- Stel een Ja/Nee vraag.
- Maak een vraag en antwoord met ruimte voor luisteren, geen Ja/Nee vraag.
¿Cuáles son todas las palabras interrogativas?
Formula una pregunta con cada palabra interrogativa.
Formula una pregunta de sí o no.
Haz una pregunta y respuesta con espacio para escuchar, no una pregunta de sí/no.