Leer hoe je de voltooid tegenwoordige tijd (Perfekt) vormt met de hulpwerkwoorden „sein“ en „haben“ en het Partizip II, zoals in „ich bin gegangen“ en „ich habe bestellt". Ontdek wanneer je „sein“ gebruikt bij beweging en „haben“ bij acties en regelmatige handelingen.
  1. De voltooid tegenwoordige tijd bestaat altijd uit twee delen: een hulpwerkwoord (sein of haben) in de tegenwoordige tijd en het voltooid deelwoord (Partizip II) van het hoofdwerkwoord.
  2. Het hulpwerkwoord staat altijd op de tweede plaats, het voltooid deelwoord (Partizip II) aan het einde van de zin.
  3. „Haben“ gebruik je bij de meeste werkwoorden, „sein“ gebruik je bij werkwoorden van beweging of toestandsverandering.
Person (Persoon)Hilfsverb (sein) (hulpwerkwoord (zijn))
z.B. gehen  (bijv. gaan)
Partizip II (Voltooid deelwoord)Hilfsverb (haben) (hulpwerkwoord (hebben))
z.B. bestellen (bestellen)
Partizip II (Voltooid deelwoord)
Ichbingegangen

Beispiel: Ich bin zum Restaurant gegangen.
habe

bestellt

Beispiel: Ich habe Essen bestellt.

Dubisthast
Er/sie/esisthat
Wirsindhaben
Ihrseidhabt
Siesindhaben

Uitzonderingen!

  1. Sommige werkwoorden van beweging hebben „hebben“ nodig als ze met een lijdend voorwerp verbonden zijn: Er hat das Fahrrad gefahren (Akkusativobjekt!)
  2. Sommige werkwoorden kunnen beide gebruiken, afhankelijk van de betekenis: Ich habe geschlafen (toestand) -> Ich bin eingeschlafen (toestandsverandering)

Oefening 1: Das Perfekt: Bildung mit „sein“ und „haben“

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

gekommen, habe, getrunken, gegessen, habt, gefahren, ist, gegangen, bestellt, haben, bist, hast

1.
Gehen: Du ... zur Bar ....
(Lopen: Je bent naar de bar gegaan.)
2.
Kommen: Der Kellner ... sofort an den Tisch ....
(De ober is meteen naar de tafel gekomen.)
3.
Trinken: Ihr ... ein Bier ....
(Drinken: Jullie hebben een biertje gedronken.)
4.
Essen: Wir ... den Salat ....
(Eten: We hebben de salade gegeten.)
5.
Fahren: Deine Schwester ... zur Pizzeria ....
(Rijden: Je zus is naar de pizzeria gereden.)
6.
Bestellen: Du ... ein leckeres Gericht ....
(Bestellen: je hebt een heerlijk gerecht besteld.)
7.
Bestellen: Ich ... nur ein Getränk ....
(Bestellen: Ik heb maar één drankje besteld.)
8.
Essen: Ihr ... in der Pizzeria ....
(Eten: Jullie hebben in de pizzeria gegeten.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ich habe gestern ein neues Buch _______.

(Ik heb gisteren een nieuw boek _______.)

2. Wir sind letzte Woche nach Berlin _______.

(Wij zijn vorige week naar Berlijn _______.)

3. Er hat die Speisekarte _______.

(Hij heeft de menukaart _______.)

4. Sie hat das Essen _______.

(Zij heeft het eten _______.)

5. Ich bin heute früh _______.

(Ik ben vanochtend vroeg _______.)

6. Wir haben viel Arbeit _______.

(Wij hebben veel werk _______.)

Inleiding tot het Perfekt met „sein“ en „haben“

In deze les leer je hoe je het Duitse Perfekt vormt, een van de belangrijkste tijden om over het verleden te spreken. Het Perfekt bestaat uit twee delen: een hulpwerkwoord – "sein" of "haben" in de tegenwoordige tijd – en het voltooid deelwoord (Partizip II) van het hoofdwerkwoord. Het hulpwerkwoord staat altijd op de tweede plaats in de zin, het Partizip II helemaal aan het eind.

Wanneer gebruik je „sein“ en wanneer „haben“?

De meeste werkwoorden vormen het Perfekt met „haben“. Werkwoorden die beweging of een verandering van toestand uitdrukken, gebruiken meestal „sein“ als hulpwerkwoord. Bijvoorbeeld: „gehen“ (gaan) gebruikt „sein“, terwijl „bestellen“ (bestellen) met „haben“ gaat.

Sommige werkwoorden kunnen beide hulpwerkwoorden gebruiken, afhankelijk van de betekenis. Voorbeeld: „Ich habe geschlafen“ (ik heb geslapen) beschrijft een toestand, terwijl „Ich bin eingeschlafen“ (ik ben in slaap gevallen) een verandering van toestand aanduidt.

Belangrijke voltooide deelwoorden

  • gegangen (gaan) – "Ich bin zum Restaurant gegangen."
  • bestellt (bestellen) – "Ich habe Essen bestellt."

Overzicht van hulpwerkwoorden per persoon

PersoonHulpwerkwoord „sein" (bijv. gehen)Hulpwerkwoord „haben" (bijv. bestellen)
Ichbinhabe
Dubisthast
Er/sie/esisthat
Wirsindhaben
Ihrseidhabt
Siesindhaben

Tips voor het gebruik

  • Gebruik "sein" bij werkwoorden die een beweging van de spreker of verandering van toestand aangeven.
  • Gebruik "haben" bij de meeste andere werkwoorden, inclusief veel transitieve werkwoorden (die een lijdend voorwerp hebben).
  • Let op uitzonderingen: sommige bewegingswerkwoorden gebruiken "haben" als ze een object erbij krijgen, zoals "Er hat das Fahrrad gefahren."

verschillen en vergelijkingen met het Nederlands

In het Nederlands worden verleden tijden vaak met hebben en zijn gevormd, net als in het Duits. Maar de regels voor wanneer je "zijn" (zijn) moet gebruiken zijn iets minder strikt in het Nederlands. Bijvoorbeeld, bij sommige bewegingen gebruiken Nederlanders vaker „hebben“ terwijl Duitsers strikt „sein“ hanteren. Bijvoorbeeld: "Ik ben gefietst" zou in het Duits "Ich bin gefahren" zijn, met "sein".

Belangrijke Duitse termen en hun Nederlandse equivalenten:

  • Hilfsverb = hulpwerkwoord
  • Partizip II = voltooid deelwoord
  • Perfekt = voltooid tegenwoordige tijd

Belangrijke zinnen om te oefenen:

  • Ich bin gegangen. – Ik ben gegaan.
  • Ich habe bestellt. – Ik heb besteld.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 17/07/2025 17:07