Les: Het verschil tussen „Es gibt“ en „sein“
In deze les leer je hoe je in het Duits kunt aangeven of iets bestaat of aanwezig is, en hoe je beschrijft waar iets zich bevindt of wat de toestand is. Dit is een belangrijke basis op A1-niveau om situaties, ruimtes en voorwerpen correct te kunnen beschrijven.
Wanneer gebruik je „Es gibt“?
„Es gibt“ gebruik je om aan te geven dat iets bestaat of beschikbaar is. Het is vergelijkbaar met het Nederlandse „er is“ of „er zijn“ en drukt de aanwezigheid van iets uit zonder direct te zeggen waar het is.
- Es gibt einen Garten. (Er is een tuin.)
- Es gibt eine Küche im Haus. (Er is een keuken in het huis.)
- Es gibt viele Zimmer. (Er zijn veel kamers.)
Let op: na „es gibt“ volgt altijd de accusatief.
Wanneer gebruik je „sein“?
Het werkwoord „sein“ (‘zijn’) gebruik je om de locatie of toestand van iets te beschrijven. Het geeft aan waar iets zich bevindt of hoe iets is.
- Der Garten ist groß. (De tuin is groot.)
- Die Küche ist im Haus. (De keuken is in het huis.)
- Die Zimmer sind groß. (De kamers zijn groot.)
Belangrijk om te onthouden
- „Es gibt“ = er is/er zijn (bestaan of aanwezigheid)
- „sein“ = zijn (locatie of toestand)
- Na „es gibt“ gebruik je altijd de accusatief, bijvoorbeeld: Es gibt einen Schreibtisch.
Verschillen tussen Nederlands en Duits
In het Nederlands gebruiken we vaak "er is" of "er zijn" om aanwezigheid aan te geven, vergelijkbaar met het Duitse „es gibt“. Toch zie je dat het Nederlands minder strikt is in het gebruik van naamvallen dan het Duits. In het Duits moet na „es gibt“ altijd de accusatief worden gebruikt, wat in het Nederlands niet het geval is.
Daarnaast wordt het werkwoord „sein" in het Duits vaker gebruikt om locatie of toestand te beschrijven, terwijl het Nederlands soms ook andere werkwoorden inzet, zoals „staan" of „liggen". Daarom is het belangrijk om in het Duits goed te letten op het juiste werkwoord.
Nuttige woorden en uitdrukkingen
- der Garten – de tuin
- die Küche – de keuken
- das Zimmer – de kamer
- groß – groot
- im Haus – in het huis
- es gibt – er is / er zijn (bestaat)
- sein – zijn (locatie/toestand)
Met deze kennis kun je duidelijk maken of iets ergens aanwezig is of waar iets zich bevindt. Dit vormt een essentiële bouwsteen om je Duitse communicatie te verbeteren.