Lerne, wann du für Beschreibungen "Es gibt" und wann du "sein" benutzt.

(Leer wanneer je voor beschrijvingen "Er is" gebruikt en wanneer je "zijn" gebruikt.)

  1. Als je wilt uitdrukken dat iets bestaat → es gibt
  2. Wanneer je wilt uitdrukken waar of hoe iets is → zijn
Ausdruck (Uitdrukking)Benutzung (Gebruik)Beispiele (Voorbeelden)
„Es gibt“ („Es gibt“)Existenz / Verfügbarkeit (Bestaan / beschikbaarheid)
 Es gibt einen Garten. (Er is een tuin.)
 Es gibt eine Küche im Haus. (Er is een keuken in het huis.)
 Es gibt viele Zimmer. (Er zijn veel kamers.)
„Sein“ („Sein“)Ort / Zustand (Plaats / toestand)
Der Garten ist groß. (De tuin is groot.)
Die Küche ist im Haus. (De keuken is in het huis.)
Die Zimmer sind groß. (De kamers zijn groot.)

Uitzonderingen!

  1. Bij „es gibt“ wordt altijd de accusatief gebruikt.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

dinsdag, 06/01/2026 00:50