Ontdek de kernwoorden voor meubels zoals "das Sofa" (de bank), "der Esstisch" (de eettafel) en leer het verschil tussen "es gibt" en "sein" bij het beschrijven van meubels en hun plaatsing in een kamer.
Woordenschat (19) Delen Gekopieerd!
Oefeningen Delen Gekopieerd!
Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Kom de vertalingen overeen
Oefening 3: Clusteren van woorden
Instructie: Orden de woorden bij de juiste categorieën, zodat de woorden logisch bij elkaar passen.
Möbel im Wohnzimmer
Möbel und Einrichtungen im Badezimmer
Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin
Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.
1
Die Lampe
De lamp
2
Der Schreibtisch
Het bureau
3
Das Sofa
De bank
4
Öffnen
Openen
5
Die Toilette
Het toilet
Übung 5: Gespreksoefening
Anleitung:
- Welke meubels staan er in elke kamer? (Welke meubels staan er in elke kamer?)
- Beschrijf een kamer van je appartement/huis. (Beschrijf een kamer van je appartement/huis.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Voorbeeldzinnen:
Die Toilette ist in der Nähe des Waschbeckens. Het toilet is vlakbij de gootsteen. |
Das Bett steht im Wohnzimmer. Het bed staat in de woonkamer. |
Das Gemälde ist neben dem Fenster. Het schilderij staat naast het raam. |
Es gibt einen Teppich unter dem Sofa. Er ligt een tapijt onder de bank. |
Der Spiegel hängt an der Wand. De spiegel hangt aan de muur. |
Der Kleiderschrank steht zwischen dem Bett und dem Schreibtisch. De kledingkast staat tussen het bed en het bureau. |
Die Tür ist hinter dem Stuhl. De deur is achter de stoel. |
Das Sofa steht vor dem Fenster. De bank staat voor het raam. |
Die Lampe steht auf dem Tisch im Wohnzimmer. De lamp staat op de tafel in de woonkamer. |
... |
Oefening 6: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 7: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ich _____ den Stuhl neben den Esstisch.
(Ik _____ de stoel naast de eettafel.)2. Das Fenster _____ geöffnet, weil die Sonne scheint.
(Het raam _____ open, omdat de zon schijnt.)3. Es _____ eine Lampe auf dem Schreibtisch.
(Er _____ een lamp op het bureau.)4. Ich _____ die Tür, wenn Freunde kommen.
(Ik _____ de deur als vrienden komen.)Oefening 8: Mijn nieuwe woonkamer
Instructie:
Werkwoordschema's
Stellen - Zetten
Präsens
- ich stelle
- du stellst
- er/sie/es stellt
- wir stellen
- ihr stellt
- sie/Sie stellen
Öffnen - Doen
Präsens
- ich öffne
- du öffnest
- er/sie/es öffnet
- wir öffnen
- ihr öffnet
- sie/Sie öffnen
Schließen - Sluiten
Präsens
- ich schließe
- du schließt
- er/sie/es schließt
- wir schließen
- ihr schließt
- sie/Sie schließen
Sein - Zijn
Präsens
- ich bin
- du bist
- er/sie/es ist
- wir sind
- ihr seid
- sie/Sie sind
Grammatica Delen Gekopieerd!
We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!
Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les Delen Gekopieerd!
Stellen stellen Delen Gekopieerd!
Präsens
Duits | Nederlands |
---|---|
(ich) stelle | ik stel |
(du) stellst | jij stelt |
(er/sie/es) stellt | hij/zij/het stelt |
(wir) stellen | wij stellen |
(ihr) stellt | jullie stellen |
(sie) stellen | zij stellen |
Öffnen openen Delen Gekopieerd!
Präsens
Duits | Nederlands |
---|---|
(ich) öffne | ik open |
(du) öffnest/öffnest | jij opent |
(er/sie/es) öffnet | hij/zij/het opent |
(wir) öffnen | wij openen |
(ihr) öffnet | jullie openen |
(sie) öffnen | zij openen |
Schließen sluiten Delen Gekopieerd!
Präsens
Duits | Nederlands |
---|---|
(ich) schließe | ik sluit |
(du) schließt / schließt | jij sluit / je sluit |
(er/sie/es) schließt | hij/zij/het sluit |
(wir) schließen | wij sluiten |
(ihr) schließt | jullie sluiten |
(sie) schließen | zij sluiten |
Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!
Wil je vandaag Duits oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.
Lesoverzicht: Meubels en locatie aanduiden met "es gibt" en "sein"
Deze les behandelt het benoemen van meubels en hun plaats binnen een huis, met de nadruk op het gebruik van de werkwoorden „es gibt“ (er is/zijn) en „sein“ (zijn). Dit zijn basiselementen op A1-niveau die helpen bij het beschrijven van je woonomgeving in het Duits.
Wat leer je in deze les?
- Het verschil tussen „es gibt“ en „sein“ om meubels en hun locaties te beschrijven, zoals:
- „Es gibt ein Sofa im Wohnzimmer.“ (Er is een bank in de woonkamer.)
- „Das Sofa steht neben dem Fenster.“ (De bank staat naast het raam.)
- Vocabulaire rondom meubels in verschillende kamers, bijvoorbeeld:
- Woonkamer: das Sofa, der Esstisch, der Schrank, der Teppich, die Lampe
- Badkamer: das Waschbecken, die Badewanne, die Dusche
- Het beschrijven van meubels en hun positie: links, rechts, neben (naast), über (boven), an (aan), und andere voorzetsels die helpen de locatie duidelijk te maken.
- Praktische zinnen voor alledaags gebruik, zoals het openen en sluiten van deuren en ramen.
Belangrijke werkwoorden en grammatica
Deze les geeft ook aandacht aan basiswerkwoorden die in huiselijke context vaak voorkomen, inclusief hun tegenwoordige tijd:
stellen (plaatsen), öffnen (openen), schließen (sluiten), sein (zijn).
Tips voor het begrijpen van „es gibt“ vs. „sein"
„Es gibt“ gebruik je om het bestaan of de aanwezigheid van iets aan te geven, bijvoorbeeld een meubelstuk in een kamer. Het gaat dan om wat aanwezig is, zonder nadruk op de positie.
„Sein“ gebruik je om een locatie of eigenschap te beschrijven, zoals waar iets zich bevindt of hoe iets is.
Verschillen tussen het Duits en Nederlands
In het Nederlands gebruik je vaak er is of er zijn, vergelijkbaar met es gibt in het Duits. Echter, in het Duits is es gibt altijd onpersoonlijk en volgt daarmee niet direct een hoofdwerkwoord, terwijl het Nederlandse „er is/zijn“ ook in andere constructies voorkomt.
Daarnaast is het Duitse sein strikt als koppelwerkwoord of om locatie te beschrijven, vergelijkbaar met het Nederlandse zijn.
Handige Duitse woorden en uitdrukkingen
- das Sofa – de bank
- der Esstisch – de eettafel
- der Kleiderschrank – de kledingkast
- es gibt – er is / er zijn
- sein – zijn
- stehen – staan (positie)
- neben – naast
- über – boven
- an – aan