Ontdek de kernwoorden voor meubels zoals "das Sofa" (de bank), "der Esstisch" (de eettafel) en leer het verschil tussen "es gibt" en "sein" bij het beschrijven van meubels en hun plaatsing in een kamer.

Woordenschat (19)

 Die Dusche: de douche (Duits)

Die Dusche

Show

De douche Show

 Die Toilette: Het toilet (Duits)

Die Toilette

Show

Het toilet Show

 Das Fenster: Het raam (Duits)

Das Fenster

Show

Het raam Show

 Der Esstisch: De eettafel (Duits)

Der Esstisch

Show

De eettafel Show

 Der Schrank: de kast (Duits)

Der Schrank

Show

De kast Show

 Die Möbel: De meubels (Duits)

Die Möbel

Show

De meubels Show

 Das Bett: het bed (Duits)

Das Bett

Show

Het bed Show

 Das Sofa: de bank (Duits)

Das Sofa

Show

De bank Show

 Der Teppich: Het tapijt (Duits)

Der Teppich

Show

Het tapijt Show

 Der Schreibtisch: Het bureau (Duits)

Der Schreibtisch

Show

Het bureau Show

 Die Lampe: De lamp (Duits)

Die Lampe

Show

De lamp Show

 Stellen (stellen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Stellen

Show

Stellen Show

 Öffnen (openen) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Öffnen

Show

Openen Show

 Schließen (sluiten) - Werkwoordsvervoeging en oefeningen

Schließen

Show

Sluiten Show

 Der Kleiderschrank: De kledingkast (Duits)

Der Kleiderschrank

Show

De kledingkast Show

 Die Tür: de deur (Duits)

Die Tür

Show

De deur Show

 Der Stuhl: De stoel (Duits)

Der Stuhl

Show

De stoel Show

 Das Waschbecken: de wastafel (Duits)

Das Waschbecken

Show

De wastafel Show

 Die Badewanne: Het bad (Duits)

Die Badewanne

Show

Het bad Show

Oefeningen

Deze oefeningen kunnen tijdens conversatielessen samen gedaan worden of als huiswerk.

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen en vertaal.

Toon antwoorden
1.
im | Wohnzimmer. | gibt | Sofa | ein | Es
Es gibt ein Sofa im Wohnzimmer.
(Er is een bank in de woonkamer.)
2.
Esstisch | der | Der | Tür. | steht | neben
Der Esstisch steht neben der Tür.
(De eettafel staat naast de deur.)
3.
Schreibtisch. | eine Lampe | auf dem | Es gibt
Es gibt eine Lampe auf dem Schreibtisch.
(Er is een lamp op het bureau.)
4.
im | Der | Kleiderschrank | Schlafzimmer. | ist
Der Kleiderschrank ist im Schlafzimmer.
(De kledingkast staat in de slaapkamer.)
5.
Stühle | Esszimmer. | im | gibt | Es | viele
Es gibt viele Stühle im Esszimmer.
(Er zijn veel stoelen in de eetkamer.)
6.
Fenster | dem | über | Das | Waschbecken. | ist
Das Fenster ist über dem Waschbecken.
(Het raam is boven de wasbak.)

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Kom de vertalingen overeen

Das Sofa steht neben dem Fenster im Wohnzimmer. (De bank staat naast het raam in de woonkamer.)
Es gibt einen Kleiderschrank im Schlafzimmer. (Er is een kledingkast in de slaapkamer.)
Ich stelle den Stuhl an den Esstisch. (Ik zet de stoel aan de eettafel.)
Bitte schließe die Tür nach dem Verlassen des Zimmers. (Sluit alsjeblieft de deur nadat je de kamer hebt verlaten.)

Oefening 3: Clusteren van woorden

Instructie: Orden de woorden bij de juiste categorieën, zodat de woorden logisch bij elkaar passen.

Möbel im Wohnzimmer

Möbel und Einrichtungen im Badezimmer

Oefening 4: Vertaal en gebruik in een zin

Instructie: Kies een woord, vertaal het en gebruik het woord in een zin of dialoog.

1

Die Lampe


De lamp

2

Der Schreibtisch


Het bureau

3

Das Sofa


De bank

4

Öffnen


Openen

5

Die Toilette


Het toilet

Übung 5: Gespreksoefening

Anleitung:

  1. Welke meubels staan er in elke kamer? (Welke meubels staan er in elke kamer?)
  2. Beschrijf een kamer van je appartement/huis. (Beschrijf een kamer van je appartement/huis.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Die Toilette ist in der Nähe des Waschbeckens.

Het toilet is vlakbij de gootsteen.

Das Bett steht im Wohnzimmer.

Het bed staat in de woonkamer.

Das Gemälde ist neben dem Fenster.

Het schilderij staat naast het raam.

Es gibt einen Teppich unter dem Sofa.

Er ligt een tapijt onder de bank.

Der Spiegel hängt an der Wand.

De spiegel hangt aan de muur.

Der Kleiderschrank steht zwischen dem Bett und dem Schreibtisch.

De kledingkast staat tussen het bed en het bureau.

Die Tür ist hinter dem Stuhl.

De deur is achter de stoel.

Das Sofa steht vor dem Fenster.

De bank staat voor het raam.

Die Lampe steht auf dem Tisch im Wohnzimmer.

De lamp staat op de tafel in de woonkamer.

...

Oefening 6: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 7: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ich _____ den Stuhl neben den Esstisch.

(Ik _____ de stoel naast de eettafel.)

2. Das Fenster _____ geöffnet, weil die Sonne scheint.

(Het raam _____ open, omdat de zon schijnt.)

3. Es _____ eine Lampe auf dem Schreibtisch.

(Er _____ een lamp op het bureau.)

4. Ich _____ die Tür, wenn Freunde kommen.

(Ik _____ de deur als vrienden komen.)

Oefening 8: Mijn nieuwe woonkamer

Instructie:

Ich (Stellen - Präsens) jeden Tag das Sofa an die rechte Wand. Neben dem Sofa (Sein - Präsens) ein kleiner Tisch mit einer Lampe. Wir (Öffnen - Präsens) oft das Fenster, weil frische Luft gut tut. Gestern (Schließen - Präsens) ich die Tür, weil es draußen kalt war. Meine Familie und ich (Stellen - Präsens) auch einen Teppich vor das Sofa, damit es gemütlich wird.


Ik zet elke dag de bank tegen de rechtermuur. Naast de bank staat een klein tafeltje met een lamp. We doen vaak het raam open, omdat frisse lucht goed is. Gisteren sluit ik de deur, omdat het buiten koud was. Mijn familie en ik leggen ook een kleed voor de bank, zodat het gezellig wordt.

Werkwoordschema's

Stellen - Zetten

Präsens

  • ich stelle
  • du stellst
  • er/sie/es stellt
  • wir stellen
  • ihr stellt
  • sie/Sie stellen

Öffnen - Doen

Präsens

  • ich öffne
  • du öffnest
  • er/sie/es öffnet
  • wir öffnen
  • ihr öffnet
  • sie/Sie öffnen

Schließen - Sluiten

Präsens

  • ich schließe
  • du schließt
  • er/sie/es schließt
  • wir schließen
  • ihr schließt
  • sie/Sie schließen

Sein - Zijn

Präsens

  • ich bin
  • du bist
  • er/sie/es ist
  • wir sind
  • ihr seid
  • sie/Sie sind

Grammatica

We geven toe dat het niet het meest opwindende is, maar het is absoluut essentieel (en we beloven dat het zich zal terugbetalen)!

A1.32.1 Grammatik

"Es gibt" vs "sein"

"Es gibt" versus "zijn"


Werkwoordsvervoegingstabellen voor deze les

Stellen stellen

Präsens

Duits Nederlands
(ich) stelle ik stel
(du) stellst jij stelt
(er/sie/es) stellt hij/zij/het stelt
(wir) stellen wij stellen
(ihr) stellt jullie stellen
(sie) stellen zij stellen

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Öffnen openen

Präsens

Duits Nederlands
(ich) öffne ik open
(du) öffnest/öffnest jij opent
(er/sie/es) öffnet hij/zij/het opent
(wir) öffnen wij openen
(ihr) öffnet jullie openen
(sie) öffnen zij openen

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Schließen sluiten

Präsens

Duits Nederlands
(ich) schließe ik sluit
(du) schließt / schließt jij sluit / je sluit
(er/sie/es) schließt hij/zij/het sluit
(wir) schließen wij sluiten
(ihr) schließt jullie sluiten
(sie) schließen zij sluiten

Oefeningen en voorbeeldzinnen

Zie je geen vooruitgang als je alleen studeert? Bestudeer dit materiaal met een gecertificeerde docent!

Wil je vandaag Duits oefenen? Dat kan! Neem vandaag nog contact op met een van onze docenten.

Schrijf je nu in!

Lesoverzicht: Meubels en locatie aanduiden met "es gibt" en "sein"

Deze les behandelt het benoemen van meubels en hun plaats binnen een huis, met de nadruk op het gebruik van de werkwoorden „es gibt“ (er is/zijn) en „sein“ (zijn). Dit zijn basiselementen op A1-niveau die helpen bij het beschrijven van je woonomgeving in het Duits.

Wat leer je in deze les?

  • Het verschil tussen „es gibt“ en „sein“ om meubels en hun locaties te beschrijven, zoals:
    • „Es gibt ein Sofa im Wohnzimmer.“ (Er is een bank in de woonkamer.)
    • „Das Sofa steht neben dem Fenster.“ (De bank staat naast het raam.)
  • Vocabulaire rondom meubels in verschillende kamers, bijvoorbeeld:
    • Woonkamer: das Sofa, der Esstisch, der Schrank, der Teppich, die Lampe
    • Badkamer: das Waschbecken, die Badewanne, die Dusche
  • Het beschrijven van meubels en hun positie: links, rechts, neben (naast), über (boven), an (aan), und andere voorzetsels die helpen de locatie duidelijk te maken.
  • Praktische zinnen voor alledaags gebruik, zoals het openen en sluiten van deuren en ramen.

Belangrijke werkwoorden en grammatica

Deze les geeft ook aandacht aan basiswerkwoorden die in huiselijke context vaak voorkomen, inclusief hun tegenwoordige tijd:
stellen (plaatsen), öffnen (openen), schließen (sluiten), sein (zijn).

Tips voor het begrijpen van „es gibt“ vs. „sein"

„Es gibt“ gebruik je om het bestaan of de aanwezigheid van iets aan te geven, bijvoorbeeld een meubelstuk in een kamer. Het gaat dan om wat aanwezig is, zonder nadruk op de positie.
„Sein“ gebruik je om een locatie of eigenschap te beschrijven, zoals waar iets zich bevindt of hoe iets is.

Verschillen tussen het Duits en Nederlands

In het Nederlands gebruik je vaak er is of er zijn, vergelijkbaar met es gibt in het Duits. Echter, in het Duits is es gibt altijd onpersoonlijk en volgt daarmee niet direct een hoofdwerkwoord, terwijl het Nederlandse „er is/zijn“ ook in andere constructies voorkomt.
Daarnaast is het Duitse sein strikt als koppelwerkwoord of om locatie te beschrijven, vergelijkbaar met het Nederlandse zijn.

Handige Duitse woorden en uitdrukkingen

  • das Sofa – de bank
  • der Esstisch – de eettafel
  • der Kleiderschrank – de kledingkast
  • es gibt – er is / er zijn
  • sein – zijn
  • stehen – staan (positie)
  • neben – naast
  • über – boven
  • an – aan

Deze lessen zouden niet mogelijk zijn zonder onze geweldige partners🙏