Lerne den richtigen Satzbau um Fragen zu stellen.

(Leer de juiste zinsbouw om vragen te stellen.)

Wat leer je in dit onderdeel?

  • Je herkent drie soorten vragen in het Duits: ja/nee-vragen, W-vragen en vragen met welcher/welche/welches.
  • Je weet waar het werkwoord moet staan in een vraag.
  • Je ziet hoe je een vraag ontkent met „nicht“.
  • Je kunt zelf controleren of je Duitse vraagzin klopt.

Basisidee: in een vraag staat het werkwoord vooraan

In het Duits is de basis heel regelmatig:

  • In elke vraag staat het vervoegde werkwoord op plek 1 in de zin.
  • Alleen bij W-vragen komt er nog een vraagwoord op plek 0 vóór het werkwoord.
Type Volgorde Voorbeeld
Ja/nee-vraag Werkwoord – persoon – rest Hast du Zeit?
W-vraag Vraagwoordwerkwoord – persoon – rest Wann kommst du?

Wat in het Nederlands vaak kan, kan in het Duits niet:

  • Du kommst morgen ins Büro?
  • Kommst du morgen ins Büro? ✔

Ja/nee-vragen: snel controleren

Een ja/nee-vraag is een vraag waarop het antwoord ja of nee is.

  • Begin altijd met het werkwoord.
  • Daarna komt het persoonlijk voornaamwoord (du, Sie, er, sie …).
  • De rest (tijd, plaats, object) komt erachter.
Duits Nederlands
Kommst du morgen? Kom je morgen?
Hast du einen Hund? Heb je een hond?
Arbeitet er heute? Werkt hij vandaag?

Zelfcheck:

  1. Staat het vervoegde werkwoord op positie 1?
  2. Komt de persoon (du, ihr, Sie, er, sie …) direct erachter?
  3. Kun je met ja of nein antwoorden?

W-vragen: vraagwoord + zelfde structuur

W-vragen beginnen met een vraagwoord, zoals in het Nederlands.

  • Vraagwoord (Wann, Wo, Wer, Was, Warum …)
  • Dan het werkwoord (vervoegd)
  • Daarna de persoon en de rest van de zin
Vraagwoord Gebruik je voor Voorbeeld
Wer persoon (wie?) Wer ist das?
Was ding, activiteit (wat?) Was machst du?
Wo plaats (waar?) Wo wohnst du?
Wann tijd (wanneer?) Wann kommst du?
Warum reden (waarom?) Warum lernst du Deutsch?

Let op: ook hier blijft de structuur ná het vraagwoord hetzelfde als bij ja/nee-vragen:

  • Wann kommst du? (vraagwoord – werkwoord – persoon)
  • Wo arbeitest du?

Zelfcheck:

  1. Begint de zin met een W-vraagwoord?
  2. Komt direct daarna het vervoegde werkwoord?
  3. Staat de persoon daarna?

Ontkennende vragen met „nicht“

Een ontkennende vraag is vaak een soort verrassing of check:

  • Kommst du nicht heute? = Kom je vandaag niet?

Belangrijk:

  • De woordvolgorde blijft die van een ja/nee-vraag.
  • „nicht“ komt na de persoon, vaak aan het eind of vóór wat je ontkent.
Duits Nederlands
Kommst du heute nicht? Kom je vandaag niet?
Trinkst du Kaffee nicht? Drink je geen koffie?

Typische fout:

  • Nicht kommst du heute?
  • Kommst du nicht heute? ✔

„Welcher / welche / welches“: welke precies?

Met welcher/welche/welches vraag je naar een specifieke keuze (welke van de …?).

  • welcher – bij mannelijke woorden (der-Film)
  • welche – bij vrouwelijke woorden (die-Übung)
  • welches – bij onzijdige woorden (das-Buch)
Geslacht Vraagwoord Zelfstandig naamwoord Voorbeeldvraag
mannelijk (der) welcher Film Welcher Film ist das?
vrouwelijk (die) welche Übung Welche Übung machen wir jetzt?
onzijdig (das) welches Buch Welches Buch liest du?

Structuur van de zin:

  • Fragewort (welcher …) + zelfstandig naamwoord + Verb + persoon

Voorbeeld:

  • Welche Übung machen wir jetzt?
  • Welke oefening doen we nu?

Zelfcheck:

  1. Weet ik het geslacht van het Duitse woord (der/die/das)?
  2. Gebruik ik het passende „welcher/welche/welches“?
  3. Komt daarna meteen het zelfstandig naamwoord en dan het werkwoord?

Stap-voor-stap: een Duitse vraag bouwen

  1. Beslis: is het een ja/nee-vraag of wil je een specifiek stukje informatie?
    • Ja/nee? → geen vraagwoord.
    • Specifieke info? → kies een W-vraagwoord of welcher/welche/welches.
  2. Zoek het werkwoord in de zin.
    • Zet de vervoegde vorm op positie 1 (na het vraagwoord).
  3. Zet de persoon er direct achter: du, Sie, er, sie …
  4. Vul de rest van de informatie in: tijd, plaats, object.
  5. Wil je ontkennen? → zet „nicht“ achter persoon/werkwoord.

Voorbeeld (uitgangszin): Du gehst morgen ins Büro.

  • Ja/nee-vraag: Gehst du morgen ins Büro?
  • W-vraag met tijd: Wann gehst du morgen ins Büro?

Snelle eindcheck: begrijp ik het echt?

  • Ik kan uitleggen waarom in „Kommst du morgen?“ het werkwoord eerst komt.
  • Ik zie het verschil tussen „Wann kommst du?“ en „Kommst du?“.
  • Ik kan minstens twee goede vragen met „nicht“ maken.
  • Ik kan voor drie woorden (bijv. Film, Übung, Buch) het juiste welcher/welche/welches kiezen.

Als je deze punten met „ja“ kunt beantwoorden, ben je klaar om de vormen actief in gesprekken te gebruiken.

Fragetyp (Vraagtype)Struktur (Structuur)Beispiel (Voorbeeld)
Ja/Nein-Fragen (Ja/nee-vragen)Frage: Verb + Personalpronomen + Objekt (Vraag: werkwoord + persoonlijk voornaamwoord + lijdend voorwerp)

Hast du einen Hund?

Ja.

W-Fragen (mit Fragewort) (W-vragen (met vraagwoord))Fragewort + Verb + Personalpronomen + Objekt (Vraagwoord + werkwoord + persoonlijk voornaamwoord + lijdend voorwerp)

Wann gehst du zur Schule?

Um 7.50 Uhr.

Verneinung in Fragen (Ontkenning in vragen)Verb + Personalpronomen + nicht  (Werkwoord + persoonlijk voornaamwoord + nicht)

Kommst du nicht heute?

Nein, heute komme ich nicht.

Welcher, Welche, WelchesFragewort + Nomen + Verb + Subjekt

Welcher Film ist das?

Das ist James Bond.

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. _____ kommst du morgen ins Büro?

_____ kom je morgen op kantoor?)

2. _____ triffst du Anna heute Abend?

_____ ontmoet je Anna vanavond?)

3. _____ du heute nicht zum Hausmeeting?

_____ je vandaag niet naar de bewonersvergadering?)

4. _____ Übung machen wir jetzt?

_____ oefening doen we nu?)

Oefening 2: Herschrijf de zinnen

Instructie: Luister naar de uitspraken en schrijf de passende vraag op: ja/nee‑vraag, W‑vraag of vraag met „welke“, zoals in het voorbeeld: „Ik heet Lukas.“ → „Hoe heet jij?“.

Vertaling tonen/verbergen Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (Gehst) Ich gehe morgen ins Büro.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Gehst du morgen ins Büro?
    (Ga je morgen naar kantoor?)
  2. Hint Hint (Woher) Ich komme aus Spanien.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Woher kommst du?
    (Waar kom je vandaan?)
  3. Hint Hint (Wann) Mein Deutschkurs beginnt um 18.30 Uhr.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wann beginnt dein Deutschkurs?
    (Wanneer begint jouw Duitse cursus?)
  4. Ich trinke heute keinen Kaffee.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Trinkst du heute keinen Kaffee?
    (Drink je vandaag geen koffie?)
  5. Hint Hint (Welcher) Dieser Bus fährt nach Berlin.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Welcher Bus fährt nach Berlin?
    (Welke bus gaat naar Berlijn?)
  6. Hint Hint (Wer) Das ist meine neue Kollegin.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Wer ist das?
    (Wie is dat?)

Oefening 3: Grammatica in actie

Instructie: Stel elkaar vragen in tweetallen, zodat je elkaar beter leert kennen.

Vertaling tonen/verbergen
Situatie
Du bist neu im Deutschkurs und möchtest die anderen Kursteilnehmenden kennenlernen.
(Je bent nieuw in de Duitse cursus en wilt de andere cursisten leren kennen.)

Bespreek
  • Wer bist du und wo wohnst du jetzt? (Wie ben je en waar woon je nu?)
  • Was machst du in Deutschland und warum lernst du Deutsch? (Wat doe je in Duitsland en waarom leer je Duits?)

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • Wie heißt du? (Hoe heet je?)
  • Wo wohnst du? Seit wann? (Waar woon je? Sinds wanneer?)
  • Wie oft hast du Deutschkurs? Wann genau? (Hoe vaak heb je Duitse les? Wanneer precies?)

Gebruik in gesprek
  • Ja/Nein-Fragen (Verb am Satzanfang) (Ja/nee-vragen (werkwoord aan het begin van de zin))
  • W‑Fragen (Wer, Was, Wo, Wann, Warum) (W‑vragen (Wie, Wat, Waar, Wanneer, Waarom))
  • verneinte Fragen mit nicht (ontkennende vragen met niet)

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

woensdag, 18/02/2026 16:47