Les pronoms personnels sont : "je, tu, il/elle/on, nous, vous, ils/elles"
(De persoonlijke voornaamwoorden zijn: "je, tu, il/elle/on, nous, vous, ils/elles")
- De voornaamwoorden geven het geslacht (mannelijk of vrouwelijk) en het aantal (enkelvoud of meervoud) van het onderwerp weer.
- "Tu" wordt gebruikt in een informele situatie.
- "Vous" wordt gebruikt om met meerdere personen te spreken, of in een formele situatie om respect te tonen aan één persoon (beleefdheid).
| Singulier (Enkelvoud) | Pluriel (Meervoud) | Exemples (Voorbeelden) |
|---|---|---|
| Je (Ik) | Nous (Wij) | Je suis Monsieur Martin (Ik ben meneer Martin) Nous sommes italiens (Wij zijn Italiaans) |
| Tu (Jij) | Vous (U / jullie) | Salut François, tu vas bien ? (Hoi François, gaat het goed met je?) Bonjour Monsieur, comment allez-vous ? (Goedendag meneer, hoe gaat het met u?) Vous jouez tous les trois. ( Jullie spelen met z’n drieën.) |
| Il / Elle / On (Hij / Zij / Men) | Ils / Elles (Zij (m.) / zij (v.)) | Comment s'appelle-t-elle ? (Hoe heet zij?) On est français (We zijn Frans) Ils sont avec Monsieur et Madame Dubois. (Zij zijn bij meneer en mevrouw Dubois. ) |
Uitzonderingen!
- Het voornaamwoord "on" peut être utilisé à l’oral pour remplacer "nous" ou de manière impersonnelle, pour parler des gens en général: "On mange à midi".
- We gebruiken het voornaamwoord "ils" om over een groep mensen te praten die uit mannen en vrouwen bestaat (zelfs als er maar één man in de groep is).
Oefening 1: Grammatica in actie
Instructie: In duo, speel de scène: begroetingen, voorstellen en afscheid op het werk.
- Comment vous vous présentez à un nouveau collègue au bureau ? (Hoe stel je jezelf voor aan een nieuwe collega op kantoor?)
- Quand utilisez-vous « tu » et quand utilisez-vous « vous » au travail ? (Wanneer gebruik je 'tu' en wanneer gebruik je 'vous' op het werk?)
- Bonjour, je suis …, enchanté(e). (Hallo, ik ben …, aangenaam.)
- Comment ça va ? Ça va bien, merci. (Hoe gaat het? Het gaat goed, bedankt.)
- À tout à l’heure ! À bientôt ! (Tot straks! Tot ziens!)
- Je / tu / vous pour se présenter et saluer (Je / tu / vous om jezelf voor te stellen en te begroeten)
- Il / elle / on pour parler d’une autre personne (Il / elle / on om over een andere persoon te spreken)