Leer het gebruik van het Italiaanse indirecte discours met 'dire che' om te vertellen wat iemand zegt, zoals in 'Fabio dice che va al museo' en 'Maria dice che suona il pianoforte'.
  1. De formule om de indirecte rede te vormen is: subject + dire che + bijzin.
  2. In de indirecte rede komen "dire che" en de handeling overeen met de werkwoordstijd van de directe rede. Voorbeeld: Luca: "vado al cinema" -> Luca dice che va al cinema.
Discorso diretto (Directe rede)Discorso indiretto (Indirecte rede)
Fabio: "Vado al museo".Fabio dice che va al museo. (Fabio zegt dat hij naar het museum gaat.)
Maria: "Suono il pianoforte".Maria dice che suona il pianoforte. (Maria zegt dat ze piano speelt.)
Giovanni: "Il concerto è oggi".Giovanni dice che il concerto è oggi. (Giovanni zegt dat het concert vandaag is.)
Lucia: "La mostra è chiusa".Lucia dice che la mostra è chiusa. (Lucia zegt dat de tentoonstelling gesloten is.)

Oefening 1: Il discorso indiretto: “dire che”

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

dice che l'opera, dice che suona il pianoforte, dice che suona, dicono che il concerto, dice che cantare, dice che la mostra, dice che va, dice che il museo

1. Loro: "Il concerto è domani":
Loro ... è domani.
(Ze zeggen dat het concert morgen is.)
2. Lei: "L'opera d'arte è nuova":
Lei ... d'arte è nuova.
(Ze zegt dat het kunstwerk nieuw is.)
3. Marco: "Suono il pianoforte ogni giorno":
Marco ... ogni giorno.
(Marco zegt dat hij elke dag piano speelt.)
4. L'insegnante: "Cantare è divertente":
L'insegnante ... è divertente.
(De leraar zegt dat zingen leuk is.)
5. Il musicista: "Suono la chitarra":
Il musicista ... la chitarra.
(De musicus zegt dat hij gitaar speelt.)
6. Luca: "La mostra è interessante":
Luca ... è interessante.
(Luca zegt dat de tentoonstelling interessant is.)
7. Lui: "Il museo è aperto":
Lui ... è aperto.
(Hij zegt dat het museum open is.)
8. L'attrice: "Vado al museo spesso":
L'attrice ... al museo spesso.
(De actrice zegt dat ze vaak naar het museum gaat.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Marco dice che ______ il museo domani.

(Marco zegt dat hij morgen ______ het museum bezoekt.)

2. Francesca dice che ______ la musica classica.

(Francesca zegt dat ze ______ naar klassieke muziek luistert.)

3. Il professore dice che la mostra ______ interessante.

(De leraar zegt dat de tentoonstelling ______ interessant is.)

4. Lucia dice che ______ al concerto stasera.

(Lucia zegt dat ze ______ vanavond naar het concert gaat.)

5. Giovanni dice che ______ il biglietto per l'opera.

(Giovanni zegt dat hij ______ het kaartje voor de opera koopt.)

6. Sara dice che ______ il jazz e va spesso ai concerti.

(Sara zegt dat ze ______ van jazz houdt en vaak naar concerten gaat.)

Inleiding tot het indirecte spreken met „dire che”

In deze les ontdek je hoe je in het Italiaans discorso indiretto maakt met behulp van de uitdrukking „dire che”. Dit is een veelgebruikte manier om weer te geven wat iemand anders zegt zonder de exacte woorden te herhalen.

Wat leer je in deze les?

  • Hoe je directe uitspraken omzet naar indirecte uitspraken met dire che.
  • De juiste vervoeging van werkwoorden in indirecte rede, afgestemd op de tijd van de oorspronkelijke uitspraak.
  • Voorbeelden van dagelijkse zinnen om het gebruik te oefenen.

Belangrijke structuur

De formule voor het maken van een indirecte zin is simpel:

soggetto + dire che + subordinata

Bijvoorbeeld is de directe zin van Luca:
Luca: "vado al cinema"
Deze wordt in indirecte rede:
Luca dice che va al cinema.

Voorbeeldzinnen

Directe redeIndirecte rede
Fabio: "Vado al museo".Fabio dice che va al museo.
Maria: "Suono il pianoforte".Maria dice che suona il pianoforte.
Giovanni: "Il concerto è oggi".Giovanni dice che il concerto è oggi.
Lucia: "La mostra è chiusa".Lucia dice che la mostra è chiusa.

Belangrijke aandachtspunten voor Nederlandse leerstof

In het Nederlands gebruiken we vaak zinnen zoals "Hij zegt dat..." om hetzelfde effect te bereiken als dire che in het Italiaans. Let op dat in het Italiaans de werkwoordstijd in de bijzin wordt aangepast aan de tijd van de oorspronkelijke uitspraak, maar net als in het Nederlands blijft het meestal één tijd in de bijzin, afhankelijk van wanneer het gezegd werd.

Een handige uitdrukking in het Nederlands voor dire che is:

  • Hij zegt dat...

Vergelijk dit met Italiaanse voorbeelden zoals Fabio dice che va al museo.

Woorden en zinnen om te onthouden:

  • dire – zeggen
  • che – dat
  • dice che – hij/zij zegt dat
  • va – hij/zij gaat
  • suona – hij/zij speelt (een instrument)

Probeer zelf zinnen te vormen met de structuur dire che + werkwoord en let op het juiste gebruik van de werkwoordstijden.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Fabio Pirioni

Bachelor in de geesteswetenschappen

University of Udine

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

vrijdag, 18/07/2025 05:22