Overzicht van de Italiaanse grammatica

Vind Italiaanse grammaticatabellen, oefeningen, werkbladen en presentaties die geoptimaliseerd zijn voor gebruik tijdens conversatielessen.

  • Toegepaste grammatica
  • Werkbladen en oefeningen
  • Audio en video

Schrijf je nu in!

A1.1.2: I pronomi personali (persoonlijke voornaamwoorden)

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Saluti e arrivederci (Groeten en afscheid)
Niveau: A1
Module 1 (A1): Presentarsi (Jezelf voorstellen)

A1.2.2: L'alfabeto italiano (Het Italiaanse alfabet)

Type: Alfabet
Hoofdstuk: Dire il tuo nome (Je naam zeggen)
Niveau: A1
Module 1 (A1): Presentarsi (Jezelf voorstellen)

A1.2.3: La pronuncia italiana (De Italiaanse uitspraak)

Type: Alfabet
Hoofdstuk: Dire il tuo nome (Je naam zeggen)
Niveau: A1
Module 1 (A1): Presentarsi (Jezelf voorstellen)

A1.3.2: Gli articoli in italiano (de lidwoorden in het Italiaans)

Type: Artikelen
Hoofdstuk: Di dove sei? (Waar kom je vandaan?)
Niveau: A1
Module 1 (A1): Presentarsi (Jezelf voorstellen)

A1.3.3: Genere e numero dei sostantivi (Geslacht en aantal van zelfstandige naamwoorden)

Type: Zelfstandige naamwoorden
Hoofdstuk: Di dove sei? (Waar kom je vandaan?)
Niveau: A1
Module 1 (A1): Presentarsi (Jezelf voorstellen)

A1.4.4: Numeri cardinali: la base (Telwoorden: de basis)

Type: Nummers
Hoofdstuk: Numeri e conteggio (Cijfers en tellen)
Niveau: A1
Module 1 (A1): Presentarsi (Jezelf voorstellen)

A1.4.2: Numeri cardinali: le decine (Hoofdgetallen: de tientallen)

Type: Nummers
Hoofdstuk: Numeri e conteggio (Cijfers en tellen)
Niveau: A1
Module 1 (A1): Presentarsi (Jezelf voorstellen)

A1.4.3: Numeri grandi: centinaia, migliaia, milioni (Grote getallen: honderden, duizenden, miljoenen)

Type: Nummers
Hoofdstuk: Numeri e conteggio (Cijfers en tellen)
Niveau: A1
Module 1 (A1): Presentarsi (Jezelf voorstellen)

A1.5.2: Gli aggettivi possessivi (bezittelijke voornaamwoorden)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Famiglia (Familie)
Niveau: A1
Module 1 (A1): Presentarsi (Jezelf voorstellen)

A1.6.2: Gli interrogativi: "Quando?", "Quanto?", (De vraagwoorden: "Quando?", "Quanto?",)

Type: Vragen
Hoofdstuk: Dire la tua età (Je leeftijd zeggen)
Niveau: A1
Module 1 (A1): Presentarsi (Jezelf voorstellen)

A1.7.2: Gli interrogativi: "Quale?", "Dove?", "Perché?" (De vraagwoorden: "Quale?", "Dove?", "Perché?")

Type: Vragen
Hoofdstuk: Professioni e studi (Beroepen en studies)
Niveau: A1
Module 1 (A1): Presentarsi (Jezelf voorstellen)

A1.8.2: Presente dei verbi regolari (tegenwoordige tijd van regelmatige werkwoorden)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Indirizzo e recapiti (Adres en contactgegevens)
Niveau: A1
Module 1 (A1): Presentarsi (Jezelf voorstellen)

A1.8.3: Il periodo ipotetico della realtà 1 (De voorwaardelijke zin van de realiteit 1)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Indirizzo e recapiti (Adres en contactgegevens)
Niveau: A1
Module 1 (A1): Presentarsi (Jezelf voorstellen)

A1.9.2: Le preposizioni: indicare momenti del giorno (De voorzetsels: tijdstippen van de dag aangeven)

Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Giorni della settimana e momenti della giornata (Dagen van de week en dagdelen)
Niveau: A1
Module 2 (A1): Dalle ore alle stagioni (Van uren tot seizoenen)

A1.10.2: Le preposizioni articolate (De voorzetselgroep)

Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Il tempo (Het weer)
Niveau: A1
Module 2 (A1): Dalle ore alle stagioni (Van uren tot seizoenen)

A1.11.2: I numeri ordinali (De rangtelwoorden)

Type: Nummers
Hoofdstuk: Numeri ordinali (Rangtelwoorden)
Niveau: A1
Module 2 (A1): Dalle ore alle stagioni (Van uren tot seizoenen)

A1.12.2: Stare per + infinito (Stare per + infinitief)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Stagioni, mesi e parti dell'anno (Seizoenen, maanden en delen van het jaar)
Niveau: A1
Module 2 (A1): Dalle ore alle stagioni (Van uren tot seizoenen)

A1.13.2: Come dire l'ora? (Hoe laat is het?)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Dire l'ora e leggere l'orologio (Hoe laat is het? De klok lezen.)
Niveau: A1
Module 2 (A1): Dalle ore alle stagioni (Van uren tot seizoenen)

A1.14.2: Come si forma la data? (Hoe wordt de datum gevormd?)

Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Date di calendario e festività (Kalenderdata en feestdagen)
Niveau: A1
Module 2 (A1): Dalle ore alle stagioni (Van uren tot seizoenen)

A1.15.2: Le congiunzioni (De voegwoorden)

Type: Voegwoord
Hoofdstuk: Cibo quotidiano (Dagelijks eten)
Niveau: A1
Module 3 (A1): Ogni giorno (Dag tot dag)

A1.16.2: I verbi riflessivi (de wederkerige werkwoorden)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Abitudini giornaliere (Dagelijkse routines)
Niveau: A1
Module 3 (A1): Ogni giorno (Dag tot dag)

A1.17.2: Aggettivi qualificativi (kwalificerende bijvoeglijke naamwoorden)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Cucinare e fare dolci (Koken en bakken)
Niveau: A1
Module 3 (A1): Ogni giorno (Dag tot dag)

A1.18.2: Gli interrogativi (de vraagwoorden)

Type: Vragen
Hoofdstuk: Chiedere cose (Dingen vragen)
Niveau: A1
Module 3 (A1): Ogni giorno (Dag tot dag)

A1.19.2: Gli indefiniti: 'molto', 'tanto', 'poco', etc... (De onbepaalde voornaamwoorden: 'molto', 'tanto', 'poco', enzovoort...)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Prezzi e soldi (Prijzen en geld)
Niveau: A1
Module 3 (A1): Ogni giorno (Dag tot dag)

A1.20.2: Forme di cortesia: Scusa e Scusi (Vorm van beleefdheid: Scusa en Scusi)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Fare la spesa (Boodschappen doen)
Niveau: A1
Module 3 (A1): Ogni giorno (Dag tot dag)

A1.20.3: L'imperativo: 'Andiamo' (De imperatief: 'Andiamo')

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Fare la spesa (Boodschappen doen)
Niveau: A1
Module 3 (A1): Ogni giorno (Dag tot dag)

A1.21.2: I verbi modali: 'Potere', 'Dovere', 'Volere' (De modale werkwoorden: 'Potere', 'Dovere', 'Volere')

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Al negozio d'abbigliamento (In de kledingwinkel)
Niveau: A1
Module 3 (A1): Ogni giorno (Dag tot dag)

A1.22.2: Il plurale dei sostantivi (De meervouden van zelfstandige naamwoorden)

Type: Zelfstandige naamwoorden
Hoofdstuk: Parti del corpo (Lichaamsdelen)
Niveau: A1
Module 3 (A1): Ogni giorno (Dag tot dag)

A1.23.2: La concordanza degli aggettivi (de overeenstemming van bijvoeglijke naamwoorden)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Aspetto fisico (Fysiek en uiterlijk)
Niveau: A1
Module 4 (A1): Descrivere oggetti e persone (Objecten en mensen beschrijven)

A1.24.2: Uso di “piacere” (Gebruik van “piacere”)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Colori (Kleuren)
Niveau: A1
Module 4 (A1): Descrivere oggetti e persone (Objecten en mensen beschrijven)

A1.25.2: Il passato prossimo con essere (De passato prossimo met essere)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Emozioni e sentimenti (Emoties en gevoelens)
Niveau: A1
Module 4 (A1): Descrivere oggetti e persone (Objecten en mensen beschrijven)

A1.25.3: Il passato prossimo con avere (De passato prossimo met avere)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Emozioni e sentimenti (Emoties en gevoelens)
Niveau: A1
Module 4 (A1): Descrivere oggetti e persone (Objecten en mensen beschrijven)

A1.26.2: Gli aggettivi comparativi: "Più + aggettivo + di," ... (De vergrotende trap van bijvoeglijke naamwoorden: "Più + aggettivo + di," ...)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Sensi e percezione (Zintuigen en waarnemen)
Niveau: A1
Module 4 (A1): Descrivere oggetti e persone (Objecten en mensen beschrijven)

A1.27.2: Gli aggettivi dimostrativi: Questo, quello (De aanwijzende bijvoeglijke naamwoorden: Questo, quello)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Forme (Vormen en figuren)
Niveau: A1
Module 4 (A1): Descrivere oggetti e persone (Objecten en mensen beschrijven)

A1.28.2: Il superlativo relativo: il più, il meno, i più, ... (De relatieve overtreffende trap: il più, il meno, i più, ...)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Carattere e personalità (Karakter en persoonlijkheid)
Niveau: A1
Module 4 (A1): Descrivere oggetti e persone (Objecten en mensen beschrijven)

A1.29.2: I participi passati come aggettivi (Voltooide deelwoorden als bijvoeglijke naamwoorden)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Stati e sensazioni fisiche (Fysieke toestanden en sensaties)
Niveau: A1
Module 4 (A1): Descrivere oggetti e persone (Objecten en mensen beschrijven)

A1.30.2: Gli avverbi di modo (De bijwoorden van wijze)

Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Malattia e dolori (Ziekte en pijn)
Niveau: A1
Module 4 (A1): Descrivere oggetti e persone (Objecten en mensen beschrijven)

A1.31.2: L'uso di 'c'è' e 'ci sono' (Het gebruik van 'c'è' en 'ci sono')

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: La nostra casa (Ons huis)
Niveau: A1
Module 5 (A1): A casa (Thuis)

A1.32.2: “Ci” vs “ce” ("Ci" vs "ce")

Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Mobili (Meubilair)
Niveau: A1
Module 5 (A1): A casa (Thuis)

A1.33.2: Gli avverbi di luogo (De bijwoorden van plaats)

Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Stoviglie (Servies)
Niveau: A1
Module 5 (A1): A casa (Thuis)

A1.34.2: Gli avverbi in -mente (De bijwoorden op -mente)

Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Elettrodomestici (Huishoudelijke apparaten)
Niveau: A1
Module 5 (A1): A casa (Thuis)

A1.35.2: I connettori: 'allora', 'quindi', 'perché', 'anche' (De verbindingswoorden: 'allora', 'quindi', 'perché', 'anche')

Type: Voegwoord
Hoofdstuk: Alloggio (Huisvesting en accommodatie)
Niveau: A1
Module 5 (A1): A casa (Thuis)

A1.36.2: Stare + gerundio (Stare + gerundium)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Piante da appartamento e piante da giardino (Kamerplanten en tuinplanten)
Niveau: A1
Module 5 (A1): A casa (Thuis)

A1.37.2: 'Andare a' + infinito ('Andare a' + infinitief)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: I tuoi animali domestici (Jouw huisdieren)
Niveau: A1
Module 5 (A1): A casa (Thuis)

A1.38.2: La negazione: 'Non', 'No', 'Neanche', 'Nemmeno' (De ontkenning: 'Non', 'No', 'Neanche', 'Nemmeno')

Type: Voegwoord
Hoofdstuk: Servizi quotidiani (Dagelijkse diensten)
Niveau: A1
Module 6 (A1): La città e il villaggio (De stad en het dorp)

A1.39.2: La forma di cortesia: vorrei (De beleefdheidsvorm: vorrei)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Ordinare cibo e uscire a cena (Eten bestellen en uit eten gaan)
Niveau: A1
Module 6 (A1): La città e il villaggio (De stad en het dorp)

A1.40.2: Gli avverbi di frequenza: sempre, spesso, mai (De bijwoorden van frequentie: sempre, spesso, mai)

Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Sport ed esercizio fisico (Sport en beweging)
Niveau: A1
Module 6 (A1): La città e il villaggio (De stad en het dorp)

A1.41.2: Gli avverbi di tempo: dopo, prima, poi ecc... (De bijwoorden van tijd: dopo, prima, poi enzovoort...)

Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Descrivere gli hobby (Hobby's beschrijven)
Niveau: A1
Module 6 (A1): La città e il villaggio (De stad en het dorp)

A1.42.2: Le preposizioni di luogo: andare in, andare a, per, da, ecc. (De voorzetsels van plaats: andare in, andare a, per, da, enz.)

Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Trasporto (Transport)
Niveau: A1
Module 6 (A1): La città e il villaggio (De stad en het dorp)

A1.43.2: Le espressioni di luogo: a destra, vicino a, ... (Plaatsuitdrukkingen: a destra, vicino a, ...)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Chiedere e dare indicazioni (Routebeschrijving vragen en geven)
Niveau: A1
Module 6 (A1): La città e il villaggio (De stad en het dorp)

A1.44.2: La forma passiva con essere + participio (De lijdende vorm met essere + participio)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Venerdì sera fuori (Vrijdagavond uit)
Niveau: A1
Module 6 (A1): La città e il villaggio (De stad en het dorp)

A1.45.2: Il discorso indiretto: “dire che” (De indirecte rede: “dire che”)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Musica e arte (Muziek en kunst)
Niveau: A1
Module 6 (A1): La città e il villaggio (De stad en het dorp)

A2.23.2: Le espressioni "ho bisogno di", "ho voglia di", ecc. (De uitdrukkingen "ho bisogno di", "ho voglia di", enz.)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Corsi di hobby (Hobbylessen)
Niveau: A1
Module 4 (A2): Stile di vita (Levensstijl)

A2.1.2: Esprimere causa e proposito (Oorzaak en doel uitdrukken)

Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Piani per le vacanze (Vakantieplannen)
Niveau: A2
Module 1 (A2): Viaggiare: nella natura! (Reizen: op avontuur!)

A2.2.2: Il verbo metterci (Het werkwoord metterci)

Type: Tussenwerpsel
Hoofdstuk: Preparare i bagagli (Je bagage pakken)
Niveau: A2
Module 1 (A2): Viaggiare: nella natura! (Reizen: op avontuur!)

A2.3.2: I comparativi: maggiore, minore, migliore, peggiore (De vergelijkingen: maggiore, minore, migliore, peggiore)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Prenota il tuo alloggio (Boek uw accommodatie)
Niveau: A2
Module 1 (A2): Viaggiare: nella natura! (Reizen: op avontuur!)

A2.4.2: Gli aggettivi bello e buono: come cambiano? (De bijvoeglijke naamwoorden bello en buono: hoe veranderen ze?)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: At the airport and in the plane (At the airport and in the plane)
Niveau: A2
Module 1 (A2): Viaggiare: nella natura! (Reizen: op avontuur!)

A2.5.2: Gli avverbi di quantità (De bijwoorden van hoeveelheid)

Type: Bijwoorden
Hoofdstuk: Noleggia il tuo mezzo di trasporto (Transport huren)
Niveau: A2
Module 1 (A2): Viaggiare: nella natura! (Reizen: op avontuur!)

A2.6.2: I pronomi oggetto diretto (de directe voornaamwoorden)

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: In hotel (Op hotel)
Niveau: A2
Module 1 (A2): Viaggiare: nella natura! (Reizen: op avontuur!)

A2.6.3: I pronomi oggetto indiretto (de indirecte voornaamwoorden)

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: In hotel (Op hotel)
Niveau: A2
Module 1 (A2): Viaggiare: nella natura! (Reizen: op avontuur!)

A2.7.2: L'uso di ne (Het gebruik van ne)

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Come turista in città (Als toerist in de stad)
Niveau: A2
Module 1 (A2): Viaggiare: nella natura! (Reizen: op avontuur!)

A2.8.2: I pronomi indefiniti: 'qualcuno', 'qualcosa', 'nessuno' (De onbepaalde voornaamwoorden: 'qualcuno', 'qualcosa', 'nessuno')

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Vacanza disastrosa? (Vakantieramp?)
Niveau: A2
Module 1 (A2): Viaggiare: nella natura! (Reizen: op avontuur!)

A2.9.2: Il passato prossimo con participi irregolari (De voltooid tegenwoordige tijd met onregelmatige voltooid deelwoorden)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Documenti e burocrazia (Papierwerk en bureaucratie)
Niveau: A2
Module 2 (A2): Società e governo (Maatschappij en overheid)

A2.10.2: L'imperfetto: i verbi regolari (De onvoltooid verleden tijd: de regelmatige werkwoorden)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Hai sentito la notizia? (Heb je het nieuws gehoord?)
Niveau: A2
Module 2 (A2): Società e governo (Maatschappij en overheid)

A2.10.3: L'imperfetto: i verbi irregolari (De imperfectum: de onregelmatige werkwoorden)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Hai sentito la notizia? (Heb je het nieuws gehoord?)
Niveau: A2
Module 2 (A2): Società e governo (Maatschappij en overheid)

A2.11.2: Il trapassato prossimo (de voltooid verleden tijd)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Servizi di emergenza (Hulpdiensten)
Niveau: A2
Module 2 (A2): Società e governo (Maatschappij en overheid)

A2.12.2: Imperfetto o passato prossimo? (Imperfectum of voltooid tegenwoordige tijd?)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: La mia esperienza scolastica (Mijn tijd op school)
Niveau: A2
Module 2 (A2): Società e governo (Maatschappij en overheid)

A2.13.2: Le espressioni temporali (de tijdelijke uitdrukkingen)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: In banca (Bij de bank)
Niveau: A2
Module 2 (A2): Società e governo (Maatschappij en overheid)

A2.14.2: Le espressioni temporali dell'imperfetto (De tijdsaanduidingen van de imperfectum)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: La laurea (Universitaire opleiding)
Niveau: A2
Module 2 (A2): Società e governo (Maatschappij en overheid)

A2.15.2: I tempi del passato (riassunto) (De tijden van het verleden (samenvatting))

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Il governo e le elezioni (De regering en verkiezingen)
Niveau: A2
Module 2 (A2): Società e governo (Maatschappij en overheid)

A2.16.2: Il futuro semplice (de onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Andare a un concerto (Naar een concert gaan)
Niveau: A2
Module 3 (A2): Programmi per il fine settimana (Weekendplannen)

A2.17.2: Superlativi assoluti: issimo, -issima, ecc. (Absolute overtreffende trap: issimo, -issima, enz.)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Visitando gli amici (Vrienden bezoeken)
Niveau: A2
Module 3 (A2): Programmi per il fine settimana (Weekendplannen)

A2.18.2: Il "si" impersonale (De "si" impersonale)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Visitare la campagna (Bezoek het platteland)
Niveau: A2
Module 3 (A2): Programmi per il fine settimana (Weekendplannen)

A2.19.2: Le congiunzioni: "comunque, inoltre, pure, infatti" (De voegwoorden: "comunque, inoltre, pure, infatti")

Type: Voegwoord
Hoofdstuk: Al campeggio (Op de camping)
Niveau: A2
Module 3 (A2): Programmi per il fine settimana (Weekendplannen)

A2.20.2: Le congiunzioni 'nè...nè', 'sia…sia', 'o…o' (De voegwoorden 'nè...nè', 'sia…sia', 'o…o')

Type: Voegwoord
Hoofdstuk: Gita di famiglia allo zoo (Familie-uitje naar de dierentuin)
Niveau: A2
Module 3 (A2): Programmi per il fine settimana (Weekendplannen)

A2.21.2: Esprimere le emozioni positive e negative (Het uitdrukken van positieve en negatieve emoties)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Going for a Sunday walk (Going for a Sunday walk)
Niveau: A2
Module 3 (A2): Programmi per il fine settimana (Weekendplannen)

A2.22.2: Le espressioni di tempo: durante, fino a, appena, ecc. (De tijdsbepalingen: durante, fino a, appena, enz.)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Igiene personale (Persoonlijke hygiëne)
Niveau: A2
Module 4 (A2): Stile di vita (Levensstijl)

A2.24.2: Uso di "finire di", "cominciare a", "tornare a" (Gebruik van "finire di", "cominciare a", "tornare a")

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Cibo da asporto (Afhaalmaaltijden)
Niveau: A2
Module 4 (A2): Stile di vita (Levensstijl)

A2.25.2: Il 'che' relativo (De relatieve 'che')

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Cibo sano e buone abitudini (Gezonde voeding en gewoontes)
Niveau: A2
Module 4 (A2): Stile di vita (Levensstijl)

A2.26.2: Gli aggettivi indefiniti: 'ogni', 'qualche', 'troppo',etc... (De onbepaalde bijvoeglijke naamwoorden: 'ogni', 'qualche', 'troppo', enzovoort...)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Trasporti (sostenibili) ((Duurzaam) vervoer)
Niveau: A2
Module 4 (A2): Stile di vita (Levensstijl)

A2.27.2: Le espressioni di luogo: 'accanto', 'davanti', 'dentro', etc... (Plaatsuitdrukkingen: 'accanto', 'davanti', 'dentro', enzovoort...)

Type: Voorzetsels
Hoofdstuk: Stili d'abbigliamento e moda (Kledingstijlen en mode)
Niveau: A2
Module 4 (A2): Stile di vita (Levensstijl)

A2.28.2: I possessivi (Bezittelijke voornaamwoorden)

Type: Bijvoeglijke naamwoorden
Hoofdstuk: Esercizio e stile di vita (Oefening en levensstijl)
Niveau: A2
Module 4 (A2): Stile di vita (Levensstijl)

A2.29.2: Il condizionale presente (de onvoltooid tegenwoordige voorwaardelijke wijs)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: All'agenzia immobiliare (Bij de makelaar)
Niveau: A2
Module 5 (A2): Faccende domestiche quotidiane (Dagelijks huishouden)

A2.29.3: Il periodo ipotetico della realtà 2 (De voorwaardelijke zin van de werkelijkheid 2)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: All'agenzia immobiliare (Bij de makelaar)
Niveau: A2
Module 5 (A2): Faccende domestiche quotidiane (Dagelijks huishouden)

A2.30.2: Il condizionale presente: i verbi irregolari (De tegenwoordige voorwaardelijke wijs: onregelmatige werkwoorden)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: In biblioteca (In de bibliotheek)
Niveau: A2
Module 5 (A2): Faccende domestiche quotidiane (Dagelijks huishouden)

A2.31.2: Dare consigli: "dovresti", "potresti" (Een advies geven: "dovresti", "potresti")

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Lista dei desideri (Bucketlist)
Niveau: A2
Module 5 (A2): Faccende domestiche quotidiane (Dagelijks huishouden)

A2.32.2: Il gerundio, le tre coniugazioni (De gerundium, de drie vervoegingen)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Piani di famiglia (Gezinsplannen)
Niveau: A2
Module 5 (A2): Faccende domestiche quotidiane (Dagelijks huishouden)

A2.33.1: Espressioni con 'ecco' ed 'è' (Uitdrukkingen met 'ecco' en 'è')

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: La mia attività (Mijn eigen bedrijf)
Niveau: A2
Module 5 (A2): Faccende domestiche quotidiane (Dagelijks huishouden)

A2.34.2: L'accordo tra i pronomi diretti e il participio passato (De overeenstemming tussen de directe voornaamwoorden en het voltooid deelwoord)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Andare in pensione (Met pensioen gaan)
Niveau: A2
Module 5 (A2): Faccende domestiche quotidiane (Dagelijks huishouden)

A2.35.2: I pronomi combinati (de gecombineerde voornaamwoorden)

Type: Voornaamwoorden
Hoofdstuk: Servizi e negozi locali (Lokale diensten en winkels)
Niveau: A2
Module 5 (A2): Faccende domestiche quotidiane (Dagelijks huishouden)

A2.36.2: L'infinito passato (L'infinito passato)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Dall'ufficio postale all'email (Van postkantoor naar e-mail)
Niveau: A2
Module 6 (A2): Al lavoro (Op het werk)

A2.37.2: L'imperativo (de gebiedende wijs)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Cercando lavoro (Op zoek naar een baan)
Niveau: A2
Module 6 (A2): Al lavoro (Op het werk)

A2.38.2: L'imperativo negativo (de gebiedende wijs ontkennen)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Colloquio di lavoro (Sollicitatiegesprek)
Niveau: A2
Module 6 (A2): Al lavoro (Op het werk)

A2.39.2: L'imperativo irregolare (de onregelmatige gebiedende wijs)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Lavoro di squadra (Teamwerk)
Niveau: A2
Module 6 (A2): Al lavoro (Op het werk)

A2.40.2: L'imperativo con i pronomi (De gebiedende wijs met voornaamwoorden)

Type: Werkwoorden
Hoofdstuk: Ufficio e riunioni (Kantoor en vergaderingen)
Niveau: A2
Module 6 (A2): Al lavoro (Op het werk)

A2.41.2: Il discorso indiretto con il passato prossimo (De indirecte rede met de voltooid tegenwoordige tijd)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Opinioni e trattative (Meningen en onderhandelingen)
Niveau: A2
Module 6 (A2): Al lavoro (Op het werk)

A2.42.2: Espressioni di accordo e disaccordo: sono d'accordo, non sono d'accordo, ecc... (Uitdrukkingen van instemming en onenigheid: sono d'accordo, non sono d'accordo, enz...)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Organizzazione e delegazione (Organisatie en delegatie)
Niveau: A2
Module 6 (A2): Al lavoro (Op het werk)

A2.43.2: Come esprimere opinioni: secondo me, per me, ecc... (Hoe meningen te uiten: secondo me, per me, ecc...)

Type: Zinnen / woordcombinaties
Hoofdstuk: Lavoro da remoto o in ufficio? (Thuiswerken of op kantoor?)
Niveau: A2
Module 6 (A2): Al lavoro (Op het werk)