Manieren om akkoord of niet akkoord te gaan: akkoord, eens zijn met, dat klopt, dat betwijfel ik.

1. Waar gaat dit over?

  • Je leert akkoord en niet akkoord zeggen.
  • Je oefent met vaste uitdrukkingen zoals ik ben het eens met en dat klopt niet.
  • Je ziet wanneer je met gebruikt, en wanneer je juist dat gebruikt.

Doel: na deze uitleg kun je in een zakelijke context duidelijk zeggen of je het eens bent of niet, en waarom.

2. Twee basisvormen: eens zijn en akkoord gaan

De twee belangrijkste uitdrukkingen:

  • Ik ben het (niet) eens met + zelfstandig naamwoord / persoon
  • Ik ga (niet) akkoord met + zelfstandig naamwoord / hele zin
Akkoord Niet akkoord
Ik ben het eens met het voorstel. Ik ben het niet eens met het voorstel.
Ik ga akkoord met de nieuwe planning. Ik ga niet akkoord met de nieuwe planning.

Let op het vaste voorzetsel: altijd met, nooit voor of van.

  • Ik ben het eens voor jouw voorstel.Ik ben het eens met jouw voorstel.
  • Ik ga akkoord jouw voorstel.Ik ga akkoord met jouw voorstel.

3. Hoe werkt ik ben het (niet) eens met precies?

Deze uitdrukking is een beetje speciaal:

  • ik ben = werkwoord (zijn)
  • het eens = vaste combinatie (idioom)
  • met = voorzetsel
  • iemand / iets = waarover / met wie

Basispatroon:

  • Ik ben het eens met + iemand / iets
  • Ik ben het niet eens met + iemand / iets

Voorbeelden:

  • Ik ben het eens met mijn collega.
  • Ik ben het niet eens met deze afspraak.
  • Ik ben het eens met wat je net zei.

Zelfcheck

  1. Heb je ben gebruikt bij ik? (niet: ik bent)
  2. Staat het erbij? (niet: ik ben eens met)
  3. Gebruik je met? (niet: voor, van)

4. Hoe werkt ik ga (niet) akkoord met?

Dit is formeler en heel bruikbaar in een zakelijke context.

Basispatroon:

  • Ik ga akkoord met + zelfstandig naamwoord / hele zin
  • Ik ga niet akkoord met + zelfstandig naamwoord / hele zin

Voorbeelden:

  • Ik ga akkoord met de nieuwe richtlijnen.
  • Ik ga niet akkoord met deze beslissing.
  • Ik ga niet akkoord met wát hij voorstelt.

Typische fouten

  • Ik ga niet akkoord van de planning.Ik ga niet akkoord met de planning.
  • Ik ga akkoord de planning.Ik ga akkoord met de planning.

Zelfcheck

  1. Gebruik je ga bij ik? (niet: ik gaat)
  2. Staat akkoord direct na ga? (ik ga akkoord ...)
  3. Gebruik je met na akkoord? (nooit voor of van)

5. Korte reacties: Dat klopt! en Dat klopt niet!

Wil je snel reageren op een hele zin van iemand? Gebruik dan:

  • Dat klopt! = je bent het eens, het is juist.
  • Dat klopt niet! = je bent het niet eens, of het is onjuist.

Enkele combinaties:

  • – “De deadline is volgende week donderdag.”
    Dat klopt!
  • – “We mogen geen pauze nemen tijdens de training.”
    Dat klopt niet!

Belangrijke tip: in deze context gebruik je géén met erachter.

  • Dat klopt met de analyse.
  • Dat klopt niet met de cijfers.

In spreektaal in vergaderingen is het veel natuurlijker om te zeggen:

  • Dat klopt, die analyse is goed.
  • Dat klopt niet, de cijfers zijn anders.

6. Twijfel en zekerheid: het is (niet) waar dat & dat betwijfel ik

Gebruik deze vormen als je iets bevestigt of juist in twijfel trekt.

  • Het is waar dat + bijzin
    • Het is waar dat ons kantoor volgende maand verhuist.
  • Het is niet waar dat + bijzin
    • Het is niet waar dat we geen pauze mogen nemen.
  • Dat betwijfel ik. (korte vorm)
    • “De klant is altijd tevreden.” – Dat betwijfel ik.

Zelfcheck

  1. Gebruik je na het is (niet) waar altijd dat?
  2. Is de volgorde in de bijzin correct?
    Het is niet waar dat we geen pauze mogen nemen.

7. Je mening met ik denk (niet) dat …

Met ik denk (niet) dat kun je op een zachte, professionele manier (on)enigheid uitdrukken.

  • Ik denk dat + bijzin (lichte instemming / mening)
  • Ik denk niet dat + bijzin (beleefd niet akkoord)

Voorbeelden:

  • Ik denk dat dit een goed voorstel is.
  • Ik denk niet dat we genoeg pauzes hebben.

Veelgemaakte fout:

  • Ik denk niet van dat we het beter kunnen doen.

Correct is:

  • Ik denk niet dat we het beter kunnen doen.

Regel: na ik denk (niet) komt direct dat. Nooit van dat.

8. Wanneer gebruik je wat? (overzicht)

Doel Neutrale / formele vorm Kort / reactie
Duidelijk akkoord met een voorstel Ik ben het eens met het voorstel.
Ik ga akkoord met het voorstel.
Dat klopt!
Duidelijk niet akkoord Ik ben het niet eens met de beslissing.
Ik ga niet akkoord met deze beslissing.
Dat klopt niet!
Voorzichtig oneens / nuance Ik denk niet dat dit de beste oplossing is.
Het is niet waar dat thuiswerken altijd makkelijk is.
Dat betwijfel ik.

9. Stap-voor-stap: zo bouw je zelf een zin

  1. Kies de houding
    • Akkoord → ik ben het eens met / ik ga akkoord met / dat klopt
    • Niet akkoord → ik ben het niet eens met / ik ga niet akkoord met / dat klopt niet
    • Twijfel → ik denk niet dat / dat betwijfel ik / het is niet waar dat
  2. Bepaal je object
    • Een ding / persoon → gebruik met
      • met deze planning, met mijn collega
    • Een hele uitspraak → gebruik dat
      • ik denk dat , het is niet waar dat
  3. Zet de bouwstenen op volgorde
    • onderwerp + werkwoord + vaste uitdrukking + met / dat + rest
    • Voorbeeld: Ik (onderwerp) + ben (werkwoord) + het eens (vaste uitdrukking) + met (voorzetsel) + de nieuwe richtlijnen (rest).

10. Sneltesten voor jezelf

  • Test 1 – Voorzetsel
    Kun je in jouw zin met of dat onderstrepen?
    Ik ben het niet eens met deze regel.
    Ik denk niet dat deze planning haalbaar is.
  • Test 2 – Korte reactie
    Kun je jouw mening vervangen door alleen Dat klopt (niet)!?
    Ja → je gebruikt een uitspraak van de ander als geheel.
  • Test 3 – Zakelijk genoeg?
    Zou je dit zo tegen je leidinggevende durven zeggen?
    Zo niet, probeer dan: Ik denk niet dat … of Ik ga niet akkoord met ….

Als je deze checks rustig doorloopt, kun je zelfstandig correcte zinnen maken en ben je goed voorbereid op gespreksoefeningen in de les.

AkkoordNiet akkoord
Ik ben het eens metIk ben het niet eens met
Ik ga akkoord metIk ga niet akkoord met
Ik denk datIk denk niet dat
Dat klopt!Dat klopt niet!
Het is waar datHet is niet waar dat
Ik ben zeker datIk ben niet zeker dat
Akkoord!Dat betwijfel ik!

Oefening 1: Meerkeuze

Instructie: Kies het juiste antwoord

1. Ik ______ het eens met het voorstel om de vergadering korter te maken.


2. Ik ______ niet akkoord met deze beslissing, want we hebben te weinig informatie.


3. Ik ______ dat dit een goed voorstel is voor de nieuwe printer.


4. ______ betwijfel ik; ik ben niet zeker dat dit de beste oplossing is voor de zaak.


Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de zin die correct is om akkoord of niet akkoord uit te drukken in een zakelijke context.

1.
Het voorzetsel 'met' ontbreekt na 'akkoord gaan'.
Verkeerde constructie; na 'het eens zijn' hoort 'met' te staan, niet 'voor'.
2.
'Dat klopt' wordt gewoonlijk zonder 'met' gebruikt; toevoegen van 'met' is hier fout.
'Dat klopt niet' is correct zonder 'met'; het gebruik van 'met' is onjuist in deze zin.

Oefening 3: Herschrijf de zinnen

Instructie: Herschrijf de zinnen om je mening te geven: gebruik de gegeven beginwoorden om akkoord of niet akkoord te gaan (bijvoorbeeld: Ik ben het eens met…, Ik ga niet akkoord met…, Ik denk dat…, Dat klopt niet!, Het is (niet) waar dat…, Dat betwijfel ik!).

Toon/verberg hints
  1. Hint Hint (Ik ben het (niet) eens met) De nieuwe vergadertijd om 7.00 uur 's ochtends is een goed idee.
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik ben het niet eens met de nieuwe vergadertijd van 7.00 uur 's ochtends.
  2. Hint Hint (Ik ga (niet) akkoord met) Jij zegt: 'Iedereen vindt deze online training interessant.'
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik ga niet akkoord met de stelling dat iedereen deze online training interessant vindt.
  3. Hint Hint (Ik denk (niet) dat) De manager zegt: 'We hebben genoeg pauzes tijdens de werkdag.'
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Ik denk niet dat we genoeg pauzes tijdens de werkdag hebben.
  4. Hint Hint (Dat klopt (niet)!) Je collega zegt: 'De planning voor het project klopt.'
    ⇒ _______________________________________________ Example
    Dat klopt niet! De planning is niet juist.

Oefening 4: Grammatica in actie

Instructie: Bespreek het voorstel en zeg waarmee je (niet) akkoord gaat.

Situatie
Tijdens een teamvergadering bespreek je een voorstel over nieuwe printers en afspraken.

Bespreek
  • Met welk deel van het voorstel ga jij akkoord en waarom?
  • Met welk deel ga je niet akkoord en wat stel je voor?

Nuttige woorden en uitdrukkingen
  • de printer
  • de vergadering
  • het voorstel

Gebruik in gesprek
  • Ik ben het (niet) eens met ...
  • Ik ga (niet) akkoord met ...
  • Ik denk (niet) dat ...

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Kato De Paepe

Zakendoen en talen

KdG University of Applied Sciences and Arts Antwerp

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 05/03/2026 00:16