1. Woordenschat (21)

Nederland

Nederland Show

Nederland Show

België

België Show

België Show

Denemarken

Denemarken Show

Denemarken Show

Duitsland

Duitsland Show

Duitsland Show

Finland

Finland Show

Finland Show

Frankrijk

Frankrijk Show

Frankrijk Show

Noorwegen

Noorwegen Show

Noorwegen Show

Polen

Polen Show

Polen Show

Portugal

Portugal Show

Portugal Show

Spanje

Spanje Show

Spanje Show

Zwitserland

Zwitserland Show

Zwitserland Show

Zweden

Zweden Show

Zweden Show

Het land

Het land Show

Het land Show

De hoofdstad

De hoofdstad Show

De hoofdstad Show

De stad

De stad Show

De stad Show

De taal

De taal Show

De taal Show

De nationaliteit

De nationaliteit Show

De nationaliteit Show

Waar kom je vandaan?

Waar kom je vandaan? Show

Waar kom je vandaan? Show

Geboren worden

Geboren worden Show

Geboren worden Show

Wonen

Wonen Show

Wonen Show

Komen

Komen Show

Komen Show

3. Oefeningen

Oefening 1: Zinnen herschikken

Instructie: Maak correcte zinnen.

Toon antwoorden
1.
jij, waar kom | Hallo, ik ben | je vandaan? | Anna, ik kom | uit Polen, en
Hallo, ik ben Anna, ik kom uit Polen, en jij, waar kom je vandaan?
2.
Utrecht. | Ik woon | Nederland, in | de stad | nu in
Ik woon nu in Nederland, in de stad Utrecht.
3.
is Polen, | hoofdstad is | Mijn land | Warschau. | maar de
Mijn land is Polen, maar de hoofdstad is Warschau.
4.
Nederlands en de | Poolse taal. | spreek een beetje | Pools en ik | Mijn nationaliteit is
Mijn nationaliteit is Pools en ik spreek een beetje Nederlands en de Poolse taal.
5.
thuis en | jouw nationaliteit? | Welke taal | spreek jij | wat is
Welke taal spreek jij thuis en wat is jouw nationaliteit?
6.
hoofdstad van jouw | andere stad? | Is Amsterdam de | je in een | land of woon
Is Amsterdam de hoofdstad van jouw land of woon je in een andere stad?

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ik ___ nu in Amsterdam, maar ik kom uit Polen.


2. In welk land ___ jij nu?


3. Wij ___ uit Spanje, maar we wonen in een kleine stad in Nederland.


4. Waar ___ u vandaan, uit welke stad?


Oefening 3: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 4: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je bent op je eerste werkdag in een kantoor in Nederland. Een collega stelt zich voor en vraagt: "Waar kom je vandaan?" Antwoord en vertel ook jouw nationaliteit. (Gebruik: Waar kom je vandaan?, de nationaliteit, Ik ben ... )

Ik kom uit    

Voorbeeld:

Ik kom uit Spanje. Ik ben Spaans.

2. Je bent op een netwerkborrel in Amsterdam. Iemand hoort je accent en vraagt: "Welke taal spreek jij thuis?" Vertel over jouw taal. (Gebruik: de taal, thuis, spreken)

Thuis spreek ik    

Voorbeeld:

Thuis spreek ik Pools en een beetje Nederlands.

3. Je bent in een taalcursus Nederlands. De docent vraagt: "In welk land woon je nu?" Antwoord en zeg ook in welke stad je woont. (Gebruik: wonen, het land, de stad)

Ik woon in    

Voorbeeld:

Ik woon in Nederland, in de stad Utrecht.

4. Je hebt een videovergadering met collega’s uit verschillende landen. Een collega uit België stelt zich voor en vraagt: "Wat is jouw nationaliteit?" Antwoord en zeg ook in welk land je nu werkt. (Gebruik: de nationaliteit, het land, werken)

Ik ben    

Voorbeeld:

Ik ben Duits en ik werk nu in Nederland.

Oefening 5: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 korte zinnen over jezelf: uit welk land en welke stad je komt, waar je nu woont en welke talen je spreekt.

Nuttige uitdrukkingen:

Ik kom uit … / Ik woon in … / Mijn nationaliteit is … / Ik spreek … en ik leer …

Oefening 6: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Beschrijf de nationaliteit van iedere persoon. (Beschrijf de nationaliteit van elke persoon.)
  2. Zeg waar ze momenteel wonen. (Zeg waar ze momenteel wonen.)
  3. Vertel waar je woont. (Vertel waar je woont.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Eero komt uit Frankrijk.

Ola komt uit Polen en ze woont in Londen.

Maria is Spaans.

Jan komt uit Nederland.

Waar kom je vandaan?

Waar woon je?

...