2. Grammatica
A1.3.1 Grammatica
Bepaalde en onbepaalde lidwoorden (de, het, een)
A1.3.2 Grammatica
Het zelfstandig naamwoord (enkelvoud & meervoud)
Belangrijk werkwoord
Wonen (wonen)
Belangrijk werkwoord
Komen (komen)
3. Oefeningen
Oefening 1: Zinnen herschikken
Instructie: Maak correcte zinnen.
Oefening 2: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Ik ___ nu in Amsterdam, maar ik kom uit Polen.
2. In welk land ___ jij nu?
3. Wij ___ uit Spanje, maar we wonen in een kleine stad in Nederland.
4. Waar ___ u vandaan, uit welke stad?
Oefening 3: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Oefening 4: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent op je eerste werkdag in een kantoor in Nederland. Een collega stelt zich voor en vraagt: "Waar kom je vandaan?" Antwoord en vertel ook jouw nationaliteit. (Gebruik: Waar kom je vandaan?, de nationaliteit, Ik ben ... )
Ik kom uit
Voorbeeld:
Ik kom uit Spanje. Ik ben Spaans.
2. Je bent op een netwerkborrel in Amsterdam. Iemand hoort je accent en vraagt: "Welke taal spreek jij thuis?" Vertel over jouw taal. (Gebruik: de taal, thuis, spreken)
Thuis spreek ik
Voorbeeld:
Thuis spreek ik Pools en een beetje Nederlands.
3. Je bent in een taalcursus Nederlands. De docent vraagt: "In welk land woon je nu?" Antwoord en zeg ook in welke stad je woont. (Gebruik: wonen, het land, de stad)
Ik woon in
Voorbeeld:
Ik woon in Nederland, in de stad Utrecht.
4. Je hebt een videovergadering met collega’s uit verschillende landen. Een collega uit België stelt zich voor en vraagt: "Wat is jouw nationaliteit?" Antwoord en zeg ook in welk land je nu werkt. (Gebruik: de nationaliteit, het land, werken)
Ik ben
Voorbeeld:
Ik ben Duits en ik werk nu in Nederland.
Oefening 5: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 korte zinnen over jezelf: uit welk land en welke stad je komt, waar je nu woont en welke talen je spreekt.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik kom uit … / Ik woon in … / Mijn nationaliteit is … / Ik spreek … en ik leer …
Oefening 6: Gespreksoefening
Instructie:
- Beschrijf de nationaliteit van iedere persoon. (Beschrijf de nationaliteit van elke persoon.)
- Zeg waar ze momenteel wonen. (Zeg waar ze momenteel wonen.)
- Vertel waar je woont. (Vertel waar je woont.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten