Vraag iemand waar ze vandaan komen
Zeg je nationaliteit
Woordenschat
Leer de belangrijkste woorden en werkwoorden die je voor deze les nodig hebt.
Activiteit: Waar kom je vandaan?
Beschrijf waar iemand vandaan komt en woont.
Grammatica: Bepaalde en onbepaalde lidwoorden (de, het, een)
Gebruik 'de' en 'het' voor specifieke dingen en 'een' voor onbekende of willekeurige dingen. Bijvoorbeeld: 'de auto', 'een hond'.
Grammatica: Het zelfstandig naamwoord (enkelvoud & meervoud)
Een zelfstandig naamwoord benoemt mensen, dieren of dingen, bijvoorbeeld: de stad, het boek, de taal.
Oefeningen
Pas in de praktijk toe wat je hebt geleerd.
In het klaslokaal
Spreken
Oefen spreken met je docent!