1. Overzicht: welke vorm gebruik je wanneer?
Bij datums let je vooral op één ding: welk soort tijdsaanduiding gebruik je?
| Soort |
Voorzetsel / vorm |
Voorbeeld |
| Dag van de week |
op + dag |
op maandag, op vrijdag |
| Volledige datum |
op + datum |
op 12 augustus 2023 |
| Maand |
in + maand |
in juli, in november |
| Jaar |
in + jaar |
in 2025, in 2030 |
| Feestdag (naam) |
vaak zonder voorzetsel |
Kerstmis is 25 december. |
Onthoud vooral:
- op → korte, concrete dag of datum.
- in → langere periode (maand, jaar).
2. Dagen van de week: altijd met “op”
Bij een dag van de week gebruik je bijna altijd op.
- Ik werk op maandag.
- We hebben een teamoverleg op dinsdag.
- De afspraak is op vrijdag.
Met dag én datum samen blijft het ook op:
- De vergadering is op maandag 3 april.
- Mijn examen is op donderdag 12 september 2024.
Let op: Zeg niet:
in maandag → altijd: op maandag
op juli → bij een maand gebruik je in
3. Maanden en jaren: “in” voor periodes
Een maand of een jaar is een periode. Daar hoort in bij.
- Ik neem vakantie in juli.
- De training is in juni.
- We starten het nieuwe project in 2025.
- Ik begin met mijn nieuwe baan in 2026.
Geen voorzetsel is hier niet goed:
Ik neem vakantie juli. → Ik neem vakantie in juli.
We starten het project 2025. → We starten het project in 2025.
4. Volledige datums: dag + maand (+ jaar)
Een volledige datum schrijf je zo:
- dag (getal) + maand + (optioneel) jaar
Voorbeelden:
- 12 augustus 2023
- 5 juli
- 31 december 2023
Met een werkwoord erbij gebruik je meestal op:
- We vieren Oud en Nieuw op 31 december 2023.
- Mijn verjaardag is op 10 maart.
- Ik heb vakantie op 3 augustus 2024.
Met dag van de week erbij:
- Het is donderdag 12 juli.
- We hebben een teamvergadering op donderdag 3 april 2025.
Controleer jezelf:
- Zie je een exact getal (10, 21, 31) met een maand? → gebruik bijna altijd op.
- Zie je alleen een maand of jaar? → gebruik in.
5. Feestdagen: met of zonder voorzetsel?
Bij namen van feestdagen kun je twee dingen zien.
- Zonder voorzetsel, als je alleen de naam noemt:
- Kerstmis is 25 december.
- Pasen is 31 maart 2024.
- Met Kerstmis ben ik vrij.
- Met op als je de datum benadrukt:
- We werken niet, want het is Pasen op 31 maart 2024.
- Kerstmis is op 25 december.
Beide zijn mogelijk, maar:
- Zin met datum → vaak: “Feestdag is op 25 december”.
- Zin zonder datum → gewoon: “Met Kerstmis …”, “Met Pasen …”.
6. Veelgestelde vragen (en korte antwoorden)
- Zeg ik: ‘op juli’ of ‘in juli’?
Altijd: in juli. Een maand is een periode → in.
- Zeg ik: ‘in maandag’ of ‘op maandag’?
Altijd: op maandag. Een dag is een concrete dag → op.
- Bij ‘vandaag’ of ‘morgen’, gebruik ik dan ook ‘op’?
Nee. Je zegt: “De vergadering is vandaag.”, “Ik vertrek morgen.” (zonder voorzetsel).
- Zeg ik ‘het is’ of ‘het is op’ bij een datum?
Met vraag naar de datum: “Welke dag is het vandaag? – Het is donderdag 12 juli.” (zonder ‘op’).
Bij een afspraak: “De vergadering is op 12 juli.”
7. Zelfcheck: kan ik dit al toepassen?
Beantwoord in je hoofd of hardop. Corrigeer jezelf waar nodig.
- Vul in met op of in:
- Ik heb een afspraak ___ maandag.
- Ik ga op vakantie ___ augustus.
- We starten het project ___ 2025.
- Mijn examen is ___ 15 mei.
- Formuleer de datum volledig:
- Vandaag: 3-4-2025 → Het is …
- Je schrijft in je agenda: overleg, 10-11 → Het overleg is …
Controleer met de regels:
- Dag van de week? → op
- Maand of jaar? → in
- Exacte datum (getal + maand)? → meestal op
Als je deze drie vragen kunt beantwoorden, heb je het systeem onder controle en kun je je in de les focussen op spreken en luisteren.