1. Taalonderdompeling

2. Woordenschat (21)

De bloem

De bloem Show

Het meel Show

De gist

De gist Show

De gist Show

De suiker

De suiker Show

De suiker Show

De boter

De boter Show

De boter Show

De olie

De olie Show

De olie Show

De slagroom

De slagroom Show

De slagroom Show

De ingrediënten

De ingrediënten Show

De ingrediënten Show

Een snufje zout

Een snufje zout Show

Een snufje zout Show

Kilogram

Kilogram Show

Kilogram Show

Gram

Gram Show

Gram Show

Het recept

Het recept Show

Het recept Show

Huisgemaakt

Huisgemaakt Show

Huisgemaakt Show

Mengen

Mengen Show

Mengen Show

Snijden

Snijden Show

Snijden Show

Bakken

Bakken Show

Bakken Show

Wegen

Wegen Show

Wegen Show

Draaien

Draaien Show

Draaien Show

Omdraaien

Omdraaien Show

Omdraaien Show

Moeten

Moeten Show

Moeten Show

Kunnen

Kunnen Show

Kunnen Show

Mogen

Mogen Show

Mogen Show

3. Grammatica

Belangrijk werkwoord

Moeten (moeten)

Belangrijk werkwoord

Kunnen (kunnen)

Belangrijk werkwoord

Mogen (mogen)

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Recept van de maand: huisgemaakte pannenkoeken

Woorden om te gebruiken: moet, draai, boter, suiker, mengt, snufje, olie, bloem, weegt, huisgemaakte

(Recept van de maand: zelfgemaakte pannenkoeken)

In de nieuwsbrief van het werk staat een recept voor pannenkoeken. Je hebt , eieren, melk, een zout en een beetje nodig. Je 200 gram bloem en dat met de eieren en de melk in een grote kom. Het deeg glad zijn, zonder klontjes.

Verwarm een koekenpan met of . De pan moet goed heet zijn. Je kunt een kleine lepel deeg in de pan doen. Wacht even en de pannenkoek dan om. Je kunt de pannenkoeken eten met suiker, stroop of slagroom. Je collega’s mogen zelf kiezen wat ze erop doen.

  1. Welke ingrediënten heb je nodig voor de pannenkoeken?

  2. Wat moet je eerst doen met de bloem, de eieren en de melk?

  3. Hoe eet jij zelf het liefst pannenkoeken? Beschrijf dat kort.

Oefening 2: Een woord matchen

Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.

Voor dit brood moet je eerst de bloem en de gist mengen.
Kun jij de boter in kleine stukjes snijden?
We moeten de ingrediënten goed wegen voor het recept.
Voor pannenkoeken mag je een beetje suiker en zout pakken.

Oefening 3: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Je bent in Nederland, dus je ___ de ingrediënten in gram en kilogram wegen.


2. In dit recept ___ je geen suiker gebruiken, alleen een beetje honing.


3. Wij ___ geen taart bakken zonder bloem en boter.


4. Jullie ___ de oven eerst aanzetten, daarna kunnen jullie de cake in de oven doen.


Oefening 4: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 5: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je bent op je werk. Er is een teamlunch en jij stelt voor om iets simpels te bakken. Vertel wat je wilt bakken en welke ingrediënten je nodig hebt. (Gebruik: de ingrediënten, het recept, bakken)

Voor de ingrediënten  

Voorbeeld:

Voor de ingrediënten kijk ik in het recept. Ik heb bloem, suiker en boter nodig.

2. Je bent in de supermarkt. Je wilt een taart maken, maar je weet niet waar de bloem staat. Vraag een medewerker om hulp. (Gebruik: de bloem, kunnen, alstublieft)

Kunt u mij  

Voorbeeld:

Kunt u mij helpen? Waar staat de bloem, alstublieft?

3. Je kookt thuis met een vriend. Jij legt uit dat jullie eerst alles moeten snijden en dan mengen. (Gebruik: snijden, mengen, moeten)

We moeten nu  

Voorbeeld:

We moeten nu eerst de groenten snijden en daarna alles mengen in een kom.

4. Je bent op bezoek bij vrienden. Iemand vraagt of jij slagroom op de taart wilt. Antwoord en zeg ook wat jij lekker vindt. (Gebruik: de slagroom, ik vind … lekker, mogen)

Ja, ik wil  

Voorbeeld:

Ja, ik wil graag de slagroom op de taart. Ik vind slagroom heel lekker.

Oefening 6: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over hoe jij thuis iets simpels kookt of bakt en wat je daarvoor nodig hebt.

Nuttige uitdrukkingen:

Ik heb … nodig voor dit recept. / Eerst moet ik … doen. / Daarna kan ik … / Ik eet het graag met …

Oefening 7: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Leg elke stap uit van het bakken van pannenkoeken. (Leg elk stadium van het pannenkoeken bakken uit.)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Het is noodzakelijk om de boter te koken.

We moeten de boter en de suiker toevoegen.

Je moet de olie en de boter aan het mengsel toevoegen.

Je moet de eieren, de melk en het zout mengen.

Bak de pannenkoeken in de pan.

Eet de pannenkoeken, smakelijk eten!

...