A1.17 - Koken en bakken
Koken en bakken
1. Taalonderdompeling
A1.17.1 Activiteit
Huisgemaakte pannenkoeken
3. Grammatica
A1.17.2 Grammatica
Modale werkwoorden (moeten, kunnen, mogen)
Belangrijk werkwoord
Moeten (moeten)
Belangrijk werkwoord
Kunnen (kunnen)
Belangrijk werkwoord
Mogen (mogen)
4. Oefeningen
Oefening 1: Examenvoorbereiding
Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder
Recept van de maand: huisgemaakte pannenkoeken
Woorden om te gebruiken: moet, draai, boter, suiker, mengt, snufje, olie, bloem, weegt, huisgemaakte
(Recept van de maand: zelfgemaakte pannenkoeken)
In de nieuwsbrief van het werk staat een recept voor pannenkoeken. Je hebt , eieren, melk, een zout en een beetje nodig. Je 200 gram bloem en dat met de eieren en de melk in een grote kom. Het deeg glad zijn, zonder klontjes.
Verwarm een koekenpan met of . De pan moet goed heet zijn. Je kunt een kleine lepel deeg in de pan doen. Wacht even en de pannenkoek dan om. Je kunt de pannenkoeken eten met suiker, stroop of slagroom. Je collega’s mogen zelf kiezen wat ze erop doen.
-
Welke ingrediënten heb je nodig voor de pannenkoeken?
-
Wat moet je eerst doen met de bloem, de eieren en de melk?
-
Hoe eet jij zelf het liefst pannenkoeken? Beschrijf dat kort.
Oefening 2: Een woord matchen
Instructie: Koppel elk begin aan het juiste einde.
Oefening 3: Meerkeuze
Instructie: Kies de juiste oplossing
1. Je bent in Nederland, dus je ___ de ingrediënten in gram en kilogram wegen.
2. In dit recept ___ je geen suiker gebruiken, alleen een beetje honing.
3. Wij ___ geen taart bakken zonder bloem en boter.
4. Jullie ___ de oven eerst aanzetten, daarna kunnen jullie de cake in de oven doen.
Oefening 4: Gesprekskaarten
Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.
Samen pannenkoeken bakken thuis
Vriend Mark: Show Weet je het recept al voor de pannenkoeken, of moeten we even kijken?
Student: Show We moeten even kijken; hoeveel bloem en melk moeten erin?
Vriend Mark: Show We hebben 300 gram bloem, twee eieren en een snufje zout nodig, ik zal alles wegen.
Student: Show Oké, dan kan ik de melk en de olie pakken en alles mengen in de kom.
Open vragen:
1. Wat kook jij graag met vrienden thuis?
2. Welke drie ingrediënten heb je vaak in jouw keuken?
Ingrediënten kopen in de supermarkt
Student: Show Hallo, ik wil een cake bakken, maar ik kan de bloem en de gist niet vinden.
Supermarktmedewerker: Show De bloem staat hier links, en de gist staat daar bij de suiker.
Student: Show Moet ik ook boter en slagroom kopen voor een simpele cake?
Supermarktmedewerker: Show Je moet boter hebben, slagroom mag, maar het hoeft niet, dat is extra.
Open vragen:
1. Wat moet jij vaak kopen als je gaat koken?
2. Moet jij soms hulp vragen in de winkel, en waarom?
Oefening 5: Reageer op de situatie
Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.
1. Je bent op je werk. Er is een teamlunch en jij stelt voor om iets simpels te bakken. Vertel wat je wilt bakken en welke ingrediënten je nodig hebt. (Gebruik: de ingrediënten, het recept, bakken)
Voor de ingrediënten
Voorbeeld:
Voor de ingrediënten kijk ik in het recept. Ik heb bloem, suiker en boter nodig.
2. Je bent in de supermarkt. Je wilt een taart maken, maar je weet niet waar de bloem staat. Vraag een medewerker om hulp. (Gebruik: de bloem, kunnen, alstublieft)
Kunt u mij
Voorbeeld:
Kunt u mij helpen? Waar staat de bloem, alstublieft?
3. Je kookt thuis met een vriend. Jij legt uit dat jullie eerst alles moeten snijden en dan mengen. (Gebruik: snijden, mengen, moeten)
We moeten nu
Voorbeeld:
We moeten nu eerst de groenten snijden en daarna alles mengen in een kom.
4. Je bent op bezoek bij vrienden. Iemand vraagt of jij slagroom op de taart wilt. Antwoord en zeg ook wat jij lekker vindt. (Gebruik: de slagroom, ik vind … lekker, mogen)
Ja, ik wil
Voorbeeld:
Ja, ik wil graag de slagroom op de taart. Ik vind slagroom heel lekker.
Oefening 6: Schrijfopdracht
Instructie: Schrijf 4 of 5 zinnen over hoe jij thuis iets simpels kookt of bakt en wat je daarvoor nodig hebt.
Nuttige uitdrukkingen:
Ik heb … nodig voor dit recept. / Eerst moet ik … doen. / Daarna kan ik … / Ik eet het graag met …
Oefening 7: Gespreksoefening
Instructie:
- Leg elke stap uit van het bakken van pannenkoeken. (Leg elk stadium van het pannenkoeken bakken uit.)
Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten
Instructies voor de leraar
- Lees de voorbeeldzinnen hardop voor.
- Beantwoord de vragen over de afbeelding.
- Studenten kunnen deze oefening ook als geschreven tekst voor de volgende les voorbereiden.
Voorbeeldzinnen:
|
Het is noodzakelijk om de boter te koken. |
|
We moeten de boter en de suiker toevoegen. |
|
Je moet de olie en de boter aan het mengsel toevoegen. |
|
Je moet de eieren, de melk en het zout mengen. |
|
Bak de pannenkoeken in de pan. |
|
Eet de pannenkoeken, smakelijk eten! |
| ... |