A2.43 - Fernarbeit oder das Büro?
Thuiswerken of het kantoor?
1. Sprachimmersion
A2.43.1 Kurzgeschichte
Homeoffice
3. Grammatik
A2.43.2 Grammatik
Passive Sätze
Schlüsselverb
Zich afmelden (sich abmelden)
Schlüsselverb
Zich aanmelden (sich anmelden)
4. Übungen
Übung 1: Prüfungsvorbereitung
Anleitung: Lies den Text, fülle die Lücken mit den fehlenden Wörtern und beantworte die untenstehenden Fragen.
Nieuwe regels voor thuiswerken
Wörter zu verwenden: Videogesprekken, opgeslagen, platform, aanmelden, laptop, thuiswerkbeleid, verbinding, afmelden, thuiswerken
(Neue Regeln fürs Homeoffice)
Vanaf volgende maand verandert het van ons bedrijf. Medewerkers mogen twee dagen per week . Op die dagen wordt er gewerkt via een digitaal . De van de medewerker wordt gebruikt voor e-mail en documenten, en de met het kantoor moet goed zijn.
Iedere ochtend moeten medewerkers zich eerst online . Aan het eind van de dag moeten zij zich ook weer . worden gebruikt voor teamoverleg. Belangrijke documenten worden niet meer geprint, maar digitaal . Zo wordt tijd bespaard en wordt er minder papier gebruikt.Ab nächsten Monat ändert sich die Homeoffice-Regelung in unserem Unternehmen. Mitarbeitende dürfen zwei Tage pro Woche von zu Hause aus arbeiten. An diesen Tagen wird über eine digitale Plattform gearbeitet. Der Laptop der Mitarbeitenden wird für E-Mails und Dokumente genutzt, und die Verbindung zum Büro muss stabil sein.
Jeden Morgen müssen sich die Mitarbeitenden zuerst online anmelden. Am Ende des Tages müssen sie sich wieder abmelden. Videogespräche werden für Teammeetings genutzt. Wichtige Dokumente werden nicht mehr ausgedruckt, sondern digital gespeichert. So wird Zeit gespart und es wird weniger Papier verbraucht.
-
Hoeveel dagen per week mogen de medewerkers thuiswerken in deze tekst?
(Wie viele Tage pro Woche dürfen die Mitarbeitenden in diesem Text im Homeoffice arbeiten?)
-
Wat moeten medewerkers aan het begin en aan het einde van de werkdag doen?
(Was müssen die Mitarbeitenden zu Beginn und am Ende des Arbeitstages tun?)
-
Waarom worden documenten niet meer geprint, volgens de tekst?
(Warum werden Dokumente laut dem Text nicht mehr ausgedruckt?)
-
Werk jij liever thuis of op kantoor, en waarom?
(Arbeitest du lieber im Homeoffice oder im Büro, und warum?)
Übung 2: Mehrfachauswahl
Anleitung: Wählen Sie die richtige Lösung
1. Voor het videogesprek ___ ik mij aan op het platform van de organisatie.
(Für das Videogespräch ___ ich mich auf der Plattform der Organisation an.)2. Tijdens de vergadering wordt de verbinding getest en ___ iedereen zich aan met zijn bedrijfsaccount.
(Während der Besprechung wird die Verbindung getestet und ___ sich jeder mit seinem Firmenkonto an.)3. Aan het eind van de werkdag ___ ik mij af, zodat ik niet meer op het digitale platform zichtbaar ben.
(Am Ende des Arbeitstages ___ ich mich ab, damit ich auf der digitalen Plattform nicht mehr sichtbar bin.)4. Na het videogesprek ___ de projectleider zich af en wordt de rapportage automatisch naar het team gestuurd.
(Nach dem Videogespräch ___ sich der Projektleiter ab und der Bericht wird automatisch an das Team gesendet.)Übung 3: Dialogkarten
Anleitung: Wähle eine Situation aus und übe das Gespräch mit deinem Lehrer oder deinen Mitschülern.
Thuiswerken, maar slechte verbinding
Werknemer: Anzeigen Hoi, de verbinding thuis is heel slecht, het videogesprek valt steeds weg.
(Hallo, die Verbindung zu Hause ist sehr schlecht, der Videocall bricht ständig ab.)
Manager: Anzeigen Oké, meld je nu even af van het platform en start de laptop opnieuw op.
(Okay, melde dich kurz von der Plattform ab und starte den Laptop neu.)
Werknemer: Anzeigen Goed idee, ik meld me zo weer aan en dan probeer ik het nog een keer.
(Gute Idee, ich melde mich gleich wieder an und probiere es noch einmal.)
Manager: Anzeigen Als het dan nog niet werkt, kom je vanmiddag naar kantoor om verder te werken.
(Wenn es dann immer noch nicht funktioniert, kommst du heute Nachmittag ins Büro, um weiterzuarbeiten.)
Offene Fragen:
1. Werk jij liever thuis of op kantoor? Waarom?
Arbeitest du lieber von zu Hause oder im Büro? Warum?
2. Wat doe jij als je digitale verbinding niet goed werkt?
Was machst du, wenn deine digitale Verbindung nicht gut funktioniert?
Nieuwe collega logt in op kantoor
Nieuwe collega: Anzeigen Hoi, ik ben nieuw hier en ik kan niet inloggen op mijn computer.
(Hallo, ich bin neu hier und kann mich nicht an meinem Computer anmelden.)
IT-collega: Anzeigen Geen probleem, meld je eerst aan met je bedrijfs-e-mailadres op dit platform.
(Kein Problem, melde dich zuerst mit deiner Firmen-E‑Mail-Adresse auf dieser Plattform an.)
Nieuwe collega: Anzeigen Oké, ik zie nu het digitale dashboard, maar ik ben nog verbonden met het gast-wifi.
(Okay, ich sehe jetzt das digitale Dashboard, aber ich bin noch mit dem Gast‑WLAN verbunden.)
IT-collega: Anzeigen Verbind je even met ons kantoor-wifi, dan kun je straks ook makkelijk telewerken op afstand.
(Verbinde dich bitte mit unserem Büro‑WLAN, dann kannst du später auch problemlos von zu Hause arbeiten.)
Offene Fragen:
1. Welke digitale platforms gebruik jij elke dag op je werk?
Welche digitalen Plattformen nutzt du jeden Tag bei der Arbeit?
2. Werk jij vaker op afstand of op kantoor, en hoe is jouw uitrusting?
Arbeitest du öfter remote oder im Büro, und welche Ausstattung hast du?
Übung 4: Auf die Situation reagieren
Anleitung: Übe zu zweit oder mit deiner Lehrkraft.
1. Je werkt meestal thuis. Een nieuwe collega uit Duitsland vraagt in een videogesprek hoe jij het thuiswerken vindt. Leg kort uit wat jij fijn of lastig vindt. (Gebruik: het videogesprek, het telewerken, ik vind het ..., maar ...)
(Je werkt meestal thuis. Een nieuwe collega uit Duitsland vraagt in een videogesprek hoe jij het thuiswerken vindt. Leg kort uit wat jij fijn of lastig vindt. (Gebruik: het videogesprek, het telewerken, ik vind het ..., maar ...))Met het telewerken
(Met het telewerken ...)Beispiel:
Met het telewerken voel ik mij vrijer, maar soms mis ik mijn collega’s op kantoor.
(Met het telewerken voel ik mij vrijer, maar soms mis ik mijn collega’s op kantoor.)2. Je internet doet het niet goed tijdens een online teamoverleg. Je hoort de manager slecht. Zeg wat er aan de hand is en vraag of jullie even kunnen wachten. (Gebruik: de verbinding, slecht, even wachten)
(Je internet doet het niet goed tijdens een online teamoverleg. Je hoort de manager slecht. Zeg wat er aan de hand is en vraag of jullie even kunnen wachten. (Gebruik: de verbinding, slecht, even wachten))De verbinding is
(De verbinding is ...)Beispiel:
De verbinding is heel slecht, kunt u misschien even wachten? Ik probeer mijn wifi opnieuw te verbinden.
(De verbinding is heel slecht, kunt u misschien even wachten? Ik probeer mijn wifi opnieuw te verbinden.)3. Je teamleider vraagt of jij morgen op kantoor kunt werken in plaats van thuis, omdat jullie nieuwe software krijgen. Reageer en zeg of het kan en hoe jij normaal werkt. (Gebruik: de laptop, op afstand, meestal)
(Je teamleider vraagt of jij morgen op kantoor kunt werken in plaats van thuis, omdat jullie nieuwe software krijgen. Reageer en zeg of het kan en hoe jij normaal werkt. (Gebruik: de laptop, op afstand, meestal))Met de laptop
(Met de laptop ...)Beispiel:
Met de laptop werk ik meestal op afstand, maar morgen kan ik wel naar kantoor komen.
(Met de laptop werk ik meestal op afstand, maar morgen kan ik wel naar kantoor komen.)4. Je moet een online training volgen op een nieuw platform van jouw bedrijf. Je belt de IT-afdeling om hulp, omdat je niet weet hoe je je moet aanmelden. Leg je probleem uit en stel een vraag. (Gebruik: het platform, zich aanmelden, inloggen)
(Je moet een online training volgen op een nieuw platform van jouw bedrijf. Je belt de IT-afdeling om hulp, omdat je niet weet hoe je je moet aanmelden. Leg je probleem uit en stel een vraag. (Gebruik: het platform, zich aanmelden, inloggen))Ik wil mij
(Ik wil mij ...)Beispiel:
Ik wil mij graag aanmelden op het nieuwe platform, maar ik weet niet hoe ik moet inloggen.
(Ik wil mij graag aanmelden op het nieuwe platform, maar ik weet niet hoe ik moet inloggen.)Übung 5: Schreibübung
Anleitung: Schreibe 5 oder 6 Sätze darüber, wie du im Homeoffice oder im Büro arbeitest, und erzähle, welche digitalen Mittel du an einem Arbeitstag benutzt.
Nützliche Ausdrücke:
Ik werk meestal thuis op … / Op mijn werkdag gebruik ik … / Aan het begin van de dag … / Aan het einde van de dag …
Oefening 6: Gesprächsübung
Instructie:
- Werk je op afstand, op locatie of beiden? (Arbeiten Sie remote oder persönlich oder beides?)
- Geef je mening over thuiswerken. (Teilen Sie Ihre Meinung über die Arbeit im Homeoffice mit.)
- Heeft u de voorkeur voor videogesprekken of persoonlijke bijeenkomsten? (Bevorzugen Sie Videogespräche oder persönliche Treffen?)
Unterrichtsrichtlinien +/- 10 Minuten
Anweisungen für den Lehrer
- Lies die Beispielsätze laut vor.
- Beantworte die Fragen zum Bild.
- Die Studenten können diese Übung auch als schriftlichen Text für die nächste Klasse vorbereiten.
Beispielsätze:
|
Ik doe beide. Ik werk twee dagen vanuit huis en ga drie dagen naar kantoor. Ich mache beides. Ich arbeite zwei Tage von zu Hause und gehe drei Tage ins Büro. |
|
Ik ga naar het kantoor. Ik werk persoonlijk samen met mijn team. Ich gehe ins Büro. Ich arbeite persönlich mit meinem Team. |
|
Naar mijn mening is thuiswerken beter. Ik kan meer bij mijn familie zijn. Meiner Meinung nach ist Fernarbeit besser. Ich kann mehr Zeit mit meiner Familie verbringen. |
|
Ik denk van wel, remote werken is nuttig. Ik kan op een rustige plek werken. Ich denke schon, Telearbeit ist nützlich. Ich kann an einem ruhigen Ort arbeiten. |
|
Videogesprekken zijn beter voor mij. Ik bespaar tijd en hoef niet te reizen. Videoanrufe sind besser für mich. Ich spare Zeit und muss nicht reisen. |
|
Ik geef de voorkeur aan vergaderingen in persoon. Het is makkelijker om te spreken en te begrijpen. Ich bevorzuge persönliche Meetings. Es ist einfacher zu sprechen und zu verstehen. |
| ... |