1. Taalonderdompeling

A2.43.1 Kort verhaal

Thuiswerken

2. Woordenschat (12)

De computer

De computer Show

De computer Show

De laptop

De laptop Show

De laptop Show

Het platform

Het platform Show

Het platform Show

De verbinding

De verbinding Show

De verbinding Show

Het videogesprek

Het videogesprek Show

Het videogesprek Show

Telewerken

Telewerken Show

Telewerken Show

De uitrusting

De uitrusting Show

De uitrusting Show

Digitaal

Digitaal Show

Digitaal Show

Op afstand

Op afstand Show

Op afstand Show

Verbinden

Verbinden Show

Verbinden Show

Zich aanmelden

Zich aanmelden Show

Zich aanmelden Show

Zich afmelden

Zich afmelden Show

Zich afmelden Show

3. Grammatica

4. Oefeningen

Oefening 1: Examenvoorbereiding

Instructie: Lees de tekst, vul de lege plekken in met de ontbrekende woorden en beantwoord de vragen hieronder


Nieuwe regels voor thuiswerken

Woorden om te gebruiken: Videogesprekken, aanmelden, platform, verbinding, opgeslagen, laptop, thuiswerkbeleid, thuiswerken, afmelden

(Nieuwe regels voor thuiswerken)

Vanaf volgende maand verandert het van ons bedrijf. Medewerkers mogen twee dagen per week . Op die dagen wordt er gewerkt via een digitaal . De van de medewerker wordt gebruikt voor e-mail en documenten, en de met het kantoor moet goed zijn.

Iedere ochtend moeten medewerkers zich eerst online . Aan het eind van de dag moeten zij zich ook weer . worden gebruikt voor teamoverleg. Belangrijke documenten worden niet meer geprint, maar digitaal . Zo wordt tijd bespaard en wordt er minder papier gebruikt.

  1. Hoeveel dagen per week mogen de medewerkers thuiswerken in deze tekst?

  2. Wat moeten medewerkers aan het begin en aan het einde van de werkdag doen?

  3. Waarom worden documenten niet meer geprint, volgens de tekst?

  4. Werk jij liever thuis of op kantoor, en waarom?

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Voor het videogesprek ___ ik mij aan op het platform van de organisatie.


2. Tijdens de vergadering wordt de verbinding getest en ___ iedereen zich aan met zijn bedrijfsaccount.


3. Aan het eind van de werkdag ___ ik mij af, zodat ik niet meer op het digitale platform zichtbaar ben.


4. Na het videogesprek ___ de projectleider zich af en wordt de rapportage automatisch naar het team gestuurd.


Oefening 3: Gesprekskaarten

Instructie: Kies een situatie en oefen het gesprek met je docent of medestudenten.

Oefening 4: Reageer op de situatie

Instructie: Oefen in tweetallen of met je docent.

1. Je werkt meestal thuis. Een nieuwe collega uit Duitsland vraagt in een videogesprek hoe jij het thuiswerken vindt. Leg kort uit wat jij fijn of lastig vindt. (Gebruik: het videogesprek, het telewerken, ik vind het ..., maar ...)

Met het telewerken  

Voorbeeld:

Met het telewerken voel ik mij vrijer, maar soms mis ik mijn collega’s op kantoor.

2. Je internet doet het niet goed tijdens een online teamoverleg. Je hoort de manager slecht. Zeg wat er aan de hand is en vraag of jullie even kunnen wachten. (Gebruik: de verbinding, slecht, even wachten)

De verbinding is  

Voorbeeld:

De verbinding is heel slecht, kunt u misschien even wachten? Ik probeer mijn wifi opnieuw te verbinden.

3. Je teamleider vraagt of jij morgen op kantoor kunt werken in plaats van thuis, omdat jullie nieuwe software krijgen. Reageer en zeg of het kan en hoe jij normaal werkt. (Gebruik: de laptop, op afstand, meestal)

Met de laptop  

Voorbeeld:

Met de laptop werk ik meestal op afstand, maar morgen kan ik wel naar kantoor komen.

4. Je moet een online training volgen op een nieuw platform van jouw bedrijf. Je belt de IT-afdeling om hulp, omdat je niet weet hoe je je moet aanmelden. Leg je probleem uit en stel een vraag. (Gebruik: het platform, zich aanmelden, inloggen)

Ik wil mij  

Voorbeeld:

Ik wil mij graag aanmelden op het nieuwe platform, maar ik weet niet hoe ik moet inloggen.

Oefening 5: Schrijfopdracht

Instructie: Schrijf vijf of zes zinnen over hoe jij thuiswerkt of op kantoor werkt en vermeld welke digitale middelen je op een werkdag gebruikt.

Nuttige uitdrukkingen:

Ik werk meestal thuis op … / Op mijn werkdag gebruik ik … / Aan het begin van de dag … / Aan het einde van de dag …

Oefening 6: Gespreksoefening

Instructie:

  1. Werk je op afstand, op locatie of beiden? (Werk je op afstand, op locatie of beide?)
  2. Geef je mening over thuiswerken. (Geef je mening over werken op afstand.)
  3. Heeft u de voorkeur voor videogesprekken of persoonlijke bijeenkomsten? (Heeft u liever videogesprekken of vergaderingen in persoon?)

Richtlijnen tijdens het lesgeven +/- 10 minuten

Voorbeeldzinnen:

Ik doe beide. Ik werk twee dagen vanuit huis en ga drie dagen naar kantoor.

Ik ga naar het kantoor. Ik werk persoonlijk samen met mijn team.

Naar mijn mening is thuiswerken beter. Ik kan meer bij mijn familie zijn.

Ik denk van wel, remote werken is nuttig. Ik kan op een rustige plek werken.

Videogesprekken zijn beter voor mij. Ik bespaar tijd en hoef niet te reizen.

Ik geef de voorkeur aan vergaderingen in persoon. Het is makkelijker om te spreken en te begrijpen.

...