Leer in deze les de bepaalde (der, die, das) en onbepaalde (ein, eine) lidwoorden in de nominatief, die het geslacht en aantal van zelfstandige naamwoorden aangeven, bijvoorbeeld der Mann en eine Stadt.
  1. De bepaalde lidwoorden „der, die, das“ worden gebruikt wanneer men over iets specifieks of bekends spreekt.
  2. De onbepaalde lidwoorden „ein, eine“ gebruik je wanneer je over iets algemeens of onbekends spreekt.
  3. lidwoorden worden altijd klein geschreven, behalve aan het begin van een zin.
 Bestimmter Artikel (Bepaald lidwoord)Unbestimmter Artikel (Onbepaalde lidwoord)
Maskulin (Mannelijk)der (bepaald lidwoord)ein (Bepaalde lidwoord)
Feminin (Feminin)die (de)eine (een)
Neutrum (Neutrum)das (het)ein (Bepaalde lidwoord)
Plural (Meervoud)die (de)- (kein Artikel) (- (geen lidwoord))

Uitzonderingen!

  1. In het meervoud is er geen onbepaald lidwoord in het Duits. Voorbeeld: „Ich habe Bücher.“
  2. Voor plaatsnamen en de meeste landennamen wordt geen lidwoord gebruikt. Voorbeeld: „Ich wohne in Deutschland. Ich wohne in Hamburg.“

Oefening 1: Bestimmte und unbestimmte Artikel - Nominativ

Instructie: Vul het juiste woord in.

Toon vertaling Toon antwoorden

Der, Die, ein, Ein, Eine, Das

1. Unbestimmt:
... Stadt in Deutschland ist Freiburg.
(Een stad in Duitsland is Freiburg.)
2. Bestimmt :
... Schweiz ist in Europa.
(Zwitserland ligt in Europa.)
3. Bestimmt :
... Name kommt aus Mexiko.
(De naam komt uit Mexico.)
4. Unbestimmt :
... Hauptstadt liegt in der Türkei.
(Een hoofdstad ligt in Turkije.)
5. Bestimmt :
... Land heißt Spanien.
(Het land heet Spanje.)
6. Bestimmt :
... Antwort ist Frankreich.
(Het antwoord is Frankrijk.)
7. Unbestimmt :
... Bewohner kommt aus Dänemark.
(Een bewoner komt uit Denemarken.)
8. Unbestimmt :
Spanien ist ... Land in Europa.
(Spanje is een land in Europa.)

Oefening 2: Meerkeuze

Instructie: Kies de juiste oplossing

1. Ich komme aus ___ kleinen Stadt in Bayern.

(Ik kom uit ___ kleine stad in Beieren.)

2. Das ist ___ Mann, der in Berlin wohnt.

(Dat is ___ man die in Berlijn woont.)

3. Ich habe ___ neues Auto gekauft.

(Ik heb ___ nieuwe auto gekocht.)

4. Sie sind ___ Studenten an der Universität.

(Zij zijn ___ studenten aan de universiteit.)

5. Wir wohnen in ___ schönen Stadt München.

(We wonen in ___ mooie stad München.)

6. Hat er ___ Schwester oder ___ Bruder?

(Heeft hij ___ zus of ___ broer?)

Bestimmte und unbestimmte Artikel im Nominativ

In deze les leer je over de bepaalde en onbepaalde lidwoorden (artikelen) in het Duits, specifiek in de nominatief. Dit is een fundamenteel onderdeel van de Duitse grammatica dat je helpt om het geslacht en het getal van zelfstandige naamwoorden aan te geven.

Overzicht van de lidwoorden

Bestimmter ArtikelUnbestimmter Artikel
Maskulinderein
Feminindieeine
Neutrumdasein
Pluraldie– (geen artikel)

Gebruik van bepaalde en onbepaalde lidwoorden

Bestimmte Artikel (der, die, das) gebruik je als je spreekt over iets specifieks of iets wat bekend is voor de gesprekspartner. Bijvoorbeeld: Das ist der Mann, der in Berlin wohnt.

Unbestimmte Artikel (ein, eine) gebruik je als het gaat over iets algemeens of onbekends. Bijvoorbeeld: Ich habe ein neues Auto gekauft.

Belangrijke aandachtspunten

  • Artikel worden in het Duits altijd met een kleine letter geschreven, behalve aan het begin van een zin.
  • Er is geen onbepaald lidwoord in het meervoud. Bijvoorbeeld: Ich habe Bücher.
  • Voor plaatsnamen zoals steden en de meeste landen gebruik je geen lidwoord. Bijvoorbeeld: Ich wohne in Deutschland. Ich wohne in Hamburg.

Vergelijking met het Nederlands

In het Nederlands kennen we ook bepaalde en onbepaalde lidwoorden, namelijk de/het en een. Een belangrijk verschil is dat in het Duits het geslacht van het zelfstandig naamwoord bepalend is voor welk lidwoord je gebruikt (der, die, das), terwijl het Nederlands twee bepaalde lidwoorden heeft afhankelijk van het woord (de voor de meeste zelfstandige naamwoorden en het voor onzijdige). Ook is er in het Duits geen onbepaald lidwoord in het meervoud, terwijl je in het Nederlands wel zegt: een boeken (maar dat klinkt niet correct - men zegt simpelweg "boeken" zonder lidwoord).

Handige woordenschat en zinnen

  • der Mann – de man
  • die Frau – de vrouw
  • das Auto – de auto
  • ein Haus – een huis
  • eine Stadt – een stad
  • Ich habe ein Buch. – Ik heb een boek.
  • Das ist die Schule. – Dat is de school.

Geschreven door

Deze inhoud is ontworpen en beoordeeld door het coLanguage pedagogisch team. Over coLanguage

Profile Picture

Sophie Schmidt

Internationaal administratief management

Würzburger Dolmetscherschule

University_Logo

Laatst bijgewerkt:

donderdag, 17/07/2025 11:23